Nieuwe Muur sluit alle contact af

De bouw van de Israëlische afscheiding langs de Westelijke Jordaanoever vordert gestaag. Zij moet Palestijnse terroristen buiten houden, maar snijdt alle andere contacten af.

Bij de Palestijnse stad Qalqiliya is het werk aan de Israëlische `veiligheidsafsluiting' al flink opgeschoten. Het is een soort vijandelijk grensgebied: een combinatie van een tientallen meters brede strook niemandsland met prikkeldraad en elektronische beveiliging en middenin een metershoog hek, en voor de poorten van de grote Palestijnse steden zware betonnen muren, compleet met wachttorens en nachtkijkers. De Israëlische regering wil uiteindelijk de volledige Westelijke Jordaanoever zo van Israël afsluiten. De buffer zal in totaal 360 kilometer meten.

Officieel heet dit niet een grens – want dat suggereert een territoriaal fait accompli – maar een `naadloos hek'. Veel tegenstanders hebben het over `de Muur', en wijzen erop dat hij toch in grote lijnen de `Groene Lijn' volgt, de grens van het Israël van vóór de Zesdaagse Oorlog van 1967.

Een groot knelpunt vormen de talrijke joodse nederzettingen die zich uiteindelijk buiten de muur zullen bevinden en die ook vóór de huidige intifada die september 2000 uitbrak, de reden vormden voor de voortdurende Israëlische militaire aanwezigheid in de meeste Palestijnse gebieden. De kolonisten vrezen voorgoed afgesneden te worden van Israël. Ter rechterzijde vreest men dat dit onvermijdelijk zal leiden tot een terugtrekking uit de gebieden achter de muur.

Het pad van de muur vormt op zich ook al meteen een aanleiding voor nieuwe conflicten. Zo heeft de Israëlische regering de graftombe van Rachel de facto geannexeerd, op zo'n 500 meter buiten de zuidelijke grens van Jeruzalem, in wat sinds de Oslo-akkoorden van 1993 Palestijns autonoom gebied is. De graftombe van Rachel is vanuit rechtse hoek in Israël tot een joods bedevaartsoord van belang gemaakt, evenals tal van andere graven op de Westelijke Jordaanoever. De plek werd daarbij van een onooglijke tombe omgevormd tot een betonnen monument midden in Palestijns gebied.

Ook is besloten het vliegveld van Atarot te annexeren, beter bekend als Kalandia airport, naar de belangrijkste controlepost op de weg van Jeruzalem naar het noorden, richting Ramallah. Officieel is het de bedoeling die in onbruik geraakte luchthaven nieuw leven in te blazen, maar de Palestijnen zien in dergelijke beslissingen alleen de zoveelste aanhechting van weer nieuwe stukken grondgebied. Deze annexaties vormen deel van de `veiligheidsenveloppe' rond Jeruzalem, die het centrale deel moet worden van de bufferzone tussen de Palestijnse gebieden en Israël.

De muur moet voorkomen dat er nog Palestijnse zelfmoordterroristen Israël binnenkomen. Maar meteen wordt ook haast iedere vorm van contact tussen de twee gebieden zo goed als onmogelijk gemaakt, zoals twee kilometer ten zuidwesten van Qalqiliya gebeurt met het Palestijnse dorp Habla en de joodse nederzetting Matan, nu nog met een lage betonnen muur van elkaar gescheiden. Habla en Matan zijn ongeveer even groot wat het aantal inwoners betreft, maar daar houdt de gelijkenis op: Matan heeft een geometrisch stratenplan en uniforme huizen met rode pannendaken, terwijl in Habla de huizen witgekalkt zijn en wat chaotisch rond een paar moskeeën met ranke minaretten geschikt staan.

,,Veel landbouwers verliezen met de nieuwe muur nogal wat land, omdat de muur daarop wordt gebouwd, of omdat hun landerijen aan de andere kant van de muur komen te liggen. Hun olijfbomen, planten en fruitbomen gaan verloren. En dat alles voor Israëls veiligheid'', zegt Mohammed, leraar Engels in Habla.

Abderrahman heeft een textielatelier in Habla. Maar hij moet dezer dagen wegens de blokkades allerlei kunstgrepen uitvoeren om vanuit Israël aan materiaal te komen dat na bewerking in zijn bedrijf opnieuw naar Israël wordt uitgevoerd. Dat gaat zo: Abderrahman rijdt met zijn Palestijnse voertuig door de velden tot vlak bij de hoofdweg No.55, die van de nederzetting Alfe Menashe langs Qalqiliya, en boven Habla, naar Kefar Sava in Israël loopt, en nu alleen nog door Israëlische voertuigen gebruikt. Balen textiel worden via een pad over de rotsen van een Israëlisch voertuig dat uit het zicht van de Israëlische troepen langs de weg is gestopt, naar Abderrahmans auto gebracht. De Israëlische handelaar verdwijnt. Abderrahman rijdt terug met zijn goederen naar Habla. Hij kan zo zijn bedrijf draaiende houden.

Maar niet lang meer. Habla wordt immers volkomen ingesloten. ,,Wij krijgen hier een nieuwe muur aan de kant van Matan, en van daaruit lopen er in twee richtingen afscheidingshekken, een naar het noorden en een richting zuid. Het enige wat er ons nog rest is een smalle doorgang naar Qalqiliya. De toestand wordt hier miserabel. Wij hangen helemaal af van werk in Israël en van onze landbouw. Er is hier nooit een incident gemeld. De mensen van Matan hebben hun regering verteld dat wij goede buren zijn, maar het hielp niets'', aldus Mohammed. ,,Wij hadden goede contacten met de Israëliërs. Wij hoopten dat wij een goede toekomst tegemoet gingen als een brug tussen de twee gemeenschappen, maar nu worden we precies daarom zwaar gestraft. Als ik bij mijn familie langs wil in Kafr Tilt op 5 kilometer van hier, dan moet ik in de toekomst naar Qalqiliya en dan nog 30 kilometer omrijden om er te komen, en hopen dat er onderweg geen controleposten zijn.''

In Matan is de stemming al even somber. Midden op het centrale plein staat een oude ploeg, een monument ter herinnering aan de zionistische pioniers die hier kwamen om het land te bewerken. Maar de moderne kolonisten werken niet langer met de ploeg. Tzachi Primak is woordvoerder van het actiecomité dat is opgericht omwille van de groeiende onrust onder de kolonisten van Matan. Hij is industrieel.

,,Matan is in 1991 door de toenmalige minister van Huisvesting Ariel Sharon opgericht als een van de `zeven sterren' in wat een plan was om de joodse meerderheid in dit gebied te versterken'', vertelt Primak. ,,Maar het ging om economisch achtergebleven gebied. Wij zijn geen ideologische nederzetting. Wij hopen alleen hier de Amerikaanse droom te realiseren voor onze gezinnen.''

In 1996 heeft het ministerie van Defensie hier een eerste muur gebouwd, 1,2 km lang, die vooral is bedoeld om illegale handel en autodiefstallen door Palestijnen te voorkomen. ,,Zoals je ziet is deze lage muur niet bedoeld om schutters te stoppen'', zegt Matan. ,,Wij staan hier echt open en bloot. Maar nu willen ze hier op deze plek dat grote veiligheidshek.''

Primak en de 3.000 kolonisten in Matan verzetten zich daartegen. De bron van onvrede, zegt Primak, is vooral psychologisch: ,,Wij zullen met de nieuwe muur niet langer met Habla moeten samenleven, maar met Qalqiliya, en dat is een heel andere situatie.'' ,,Habla is een rustig dorp, wij kennen die mensen en hebben nooit enige last met hen gehad, maar in Qalqiliya heb je allerlei bewegingen, Hamas en Islamitische Jihad, en Fatah. Sommige elementen zijn echt gevaarlijk en zij zullen in de nieuwe situatie tot voor onze deur kunnen opereren. Wij komen met één klap in de frontlinie te leven.''