Natuur op drift door vroege lentes

Het broeikaseffect zorgt ervoor dat warmteminnende dieren en planten zich richting de polen verspreiden, ieder decennium gemiddeld zes kilometer.

Voor dieren en planten die op hun plaats blijven is het iedere tien jaar ruim twee dagen eerder `voorjaar'. Ze broeden eerder, bloeien vroeger, of ontplooien hun bladeren sneller.

Met een analyse van broed-, bloei-, trek- en migratiegedrag van 1.700 planten- en dierensoorten hebben een achttal onderzoekers van verschillende Amerikaanse universiteiten in twee artikelen in het wetenschappelijke tijdschrift Nature `met zeer grote zekerheid' vastgesteld dat de klimaatveranderingen van de afgelopen eeuw inmiddels ook de ecosystemen veranderen.

Biologen zijn er al langer van overtuigd dat de soortverspreiding door klimaatveranderingen naar de polen opschuift en dat het voorjaar eerder begint. Maar politici en beleidsmakers waren tot nu toe allerminst overtuigd.

De biologe Camille Parmesan en de econoom Gary Yohe van twee universiteiten in Texas maakten de langjarige klimaatinvloed zichtbaar door onderzoeken naar vogels, vlinders, amfibieën, planten en struiken en bomen te analyseren. De verspreiding van de onderzochte soorten is 16 tot ruim 130 jaar gevolgd. Van sommige boomsoorten zijn zelfs gegevens tot duizend jaar geleden verzameld. Parmesan en Yohe kijken met een biologische én een economische blik naar de onderzoeken. Biologen zijn geneigd om alleen soorten te beschrijven die worden beïnvloed door het klimaat, maar een econoom wil vooral weten of het klimaat een factor van belang is, ten opzichte van andere factoren.

Meer dan 95% van de lange-termijnveranderingen is aan de klimaatverandering toe te schrijven, concluderen Parmesan en Yohe. Volgens criteria van de Intergovernmental Panel on Climat Change (IPCC), het bureau dat de wetenschap van de klimaatverandering bestudeerd onder de vlag van de Verenigde Naties, zijn de biologische veranderingen daarom nu `met zeer grote waarschijnlijkheid' aan klimaatveranderingen toe te schrijven.

De invloed van het klimaat op biologische systemen is moeilijk vast te stellen. Er wordt dan ook een heftig debat over gevoerd. Veel planten en dieren variëren binnen een paar jaar vaak sterk in plaats en aantal door veranderingen in landgebruik en door natuurlijke fluctuaties. Het vergt uitgebreide berekeningen aan grote gegevensbestanden om daar een kleine langjarige trend uit te halen.

Forse korte-termijnveranderingen ontstaan bijvoorbeeld door interacties (zogeheten varkenscycli) tussen prooidieren en hun predatoren. Zijn er weinig roofvogels, dan ontstaat een muizenplaag, waardoor de roofvogels veel jongen kunnen groot brengen. De roofvogelstand bereikt dan een piek, ten koste van de muizen. Ook infrastructurele werken hebben vaak grote invloed op de soortenverspreiding. Zo is de inpoldering van de IJsselmeerpolders gunstig geweest voor de verspreiding van een aantal moerasvogels in Nederland.

Binnen deze grote fluctuaties zijn er echter klimaattrends die, zeggen de auteurs van een andere Nature-publicatie, vooral goed zichtbaar is bij de soorten die in koude gebieden leven. De soortenfluctuatie volgde in de vorige eeuw ook goed de koudere perioden: in de jaren 1950 tot 1970 was het wat koeler, waardoor veel soorten richting evenaar en bergdal opschoven.