Leeftijdsopbouw is geen probleem voor universiteit

`Senioren beheersen de universiteit', kopte NRC Handelsblad op 27 december. In het desbetreffende artikel werd beschreven hoe jongeren op de universiteit te weinig kans krijgen, terwijl het percentage 50-plussers op recordhoogte staat. De leeftijdsgroep tussen 30 en 45 jaar zou een verloren generatie zijn en het `massaal' of `tegelijk' afzwaaien van de ouderen zal grote problemen brengen.

In de eerste plaats klopt de logica van dit betoog niet. Als de leeftijdsgroep van 50 tot 65 jaar oververtegenwoordigd is, wil dat nog niet zeggen dat deze mensen straks gelijktijdig vertrekken. Daar zal een jaar of vijftien overheen gaan. Misschien moet daar nu al beleid voor ontwikkeld worden, maar het lijkt geen reden tot paniek. De oudste groep, die het eerst weggaat, is nog altijd de kleinste.

Ook is het merkwaardig dat het vertrekken van deze `grijze prop' nu ook al een probleem is. Jarenlang is gehuild dat de generatie die in de jaren zestig de universiteiten heeft bezet, almaar bleef zitten. Nu beginnen ze eindelijk hun biezen te pakken, is het weer niet goed. Blijkbaar zijn er hier en daar instituten die de vacatures niet mogen opvullen wegens het budget. Maar de universiteiten hadden destijds toch tevéél mensen aangenomen? Dan is het niet zo vreemd dat er nu niet een paar vervangten worden.

Is er eigenlijk wel iets mis? De grafiek die deze krant afdrukte is op belangrijke punten met het verhaal in strijd. De leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder is de laatste twaalf jaar inderdaad steeds beter gevuld geraakt. Het afschaffen van vertrekregelingen vanaf 55 jaar speelt hier ook een rol. Maar nog altijd daalt de curve op het einde. Er is dus juist een tendens naar een meer gelijkmatige leeftijdsverdeling. Waarom zou dat niet goed zijn? We hadden toch spijt van het ondoordacht wegdoen van al die waardevolle ervaring?

Ook bij andere leeftijdsgroepen blijkt er niets aan de hand en is, aannemende dat de grafiek klopt, bij de gezamenlijke universiteiten geen sprake van spectaculaire ontwikkelingen. De groep van 50 tot 55 jaar is de laatste drie jaar juist kleiner geworden. Er is een heel lichte kuil te zien tussen de 35 en 50 jaar, maar om van een verloren generatie te spreken lijkt sterk overdreven. De meest opzienbarende ontwikkeling is te zien bij de groep van 40 tot 45 jaar, die is gekrompen van 16 naar 12 procent van het geheel. Dat betekent vooral dat aan de oververtegenwoordiging van deze groep een einde is gekomen.

Het is bekend dat universiteiten het moeten hebben van de jeugd. Onderzoekers zijn in de eerste pakweg tien jaar van hun carrière het produktiefst. Wel, er is goed nieuws: dat jongeren geen kans krijgen is domweg niet waar. De groep van 25 tot 35 jaar is de laatste drie jaar groter geworden, en het percentage mensen jonger dan 25 jaar groeit zelfs al sinds 1996.

De universiteiten hebben problemen genoeg, zoals het gebrek aan interesse voor de exacte vakken, het niveau van nieuwe studenten en, natuurlijk, de uitholling door bezuinigingen. Maar de leeftijdsopbouw lijkt het geringste probleem. Spontaan manifesteert zich een aantal gezonde correcties.

In het desbetreffende artikel werd een jonge classicus ten tonele gevoerd voor wie nergens plaats is. Het is natuurlijk sneu als een jonge doctor niet verder kan in zijn vak. Maar dat is nog geen misstand. Niet iedereen die afstudeert, kan promoveren; niet iedereen die promoveert, kan blijven (en niet iedereen die blijft, wordt hoogleraar). Dat is nou net de fout die in de jaren '60 is gemaakt. Elke week komen er aan de universiteiten tientallen jonge doctores van de lopende band. Voor de één is er geen plaats, voor de ander geen geld, een derde is niet goed genoeg. Welkom in de buitenwereld.

Herbert Blankesteijn is publicist.

    • Herbert Blankesteijn