Heldere uitleg over `nieuwe poëzie'

Ik zeg het maar meteen, want het is vaak het beste om iets meteen te zeggen: wie geïnteresseerd is in hoe er gedacht en geschreven wordt over de nieuwe poëzie moet onverwijld het laatste nummer van Nederlandse Letterkunde aanschaffen. En lezen natuurlijk. Nederlandse Letterkunde is een vaktijdschrift voor de Neerlandistieke literatuurbeschouwing en zoiets klinkt al snel saai en academisch en niet voor de gewone lezer, maar die associaties moet men in dit geval meteen laten varen.

De stukken in dit nummer, samengesteld door een gastredactie, getuigen in zoverre van een academische benadering dat ze niet vol hoogstpersoonlijke standpunten staan, maar een poging doen tot objectiviteit en tot explicatie van het hoe en waarom. Eigenlijk heb ik zelden zulke verhelderende stukken over de nieuwe poëzie gelezen. In de meeste stukken die je erover tegenkomt, laadt iemand in de inleiding zijn machinegeweer en schiet dat daarna leeg op iedereen die nog vormvaste, betekenisvolle, gelezen en gewaardeerde poëzie schrijft of leest.

Wat is dan die `nieuwe poëzie'? In zijn voortreffelijke bijdrage legt J.H. de Roder uit, met behulp van de poëzie van H.H. ter Balkt en vooral Arjen Duinker, dat de gangbare poëziebenadering tegelijkertijd een bepaald soort poëzie veronderstelt, namelijk een betekenisvolle eenheid van vorm die naar zichzelf verwijst. De lezer is er hooguit om die betekenis terug te vinden in het gedicht, het gedicht heeft als het ware al een betekenis. In `nieuwe poëzie' (het wordt al bijna een genre-aanduiding als het een paar keer zo opgeschreven wordt, hoewel de verschillen tussen dichters zoals gebruikelijk groot zijn) is de rol van de lezer juist groot. Woorden en begrippen worden nogal eens in associatief verband geschikt of doen een sterk beroep op de kennis van de lezer, die dus aan het werk moet. Sterker nog, bij een geslaagd gedicht ìs de lezer al aan het werk, zijn of haar eigen ervaring met de wereld, zijn of haar associaties met de woorden geven het gedicht betekenis. Alles wat er bij de lezer gebeurt ìs deze poëzie, meent De Roder.

Dat de poëzie nog minder kan lijken op het ding van taal dat we gewend zijn, is zichtbaar bij de poëzie van Tonnus Oosterhoff, vooral die niet uit maar bij zijn laatste bundel, Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen. Hans Groenewegen beschrijft heel helder hoe Oosterhoff op zijn website en op de cd-rom die zijn bundel vergezelt, gedichten voortdurend in beweging laat zijn en wat daar de werking van is. De gedichten veranderen onder je ogen en al die veranderingen doen mee in de ervaring van het gedicht. De gedichten nemen min of meer het heft in handen en komen zelf met associaties op de proppen die de lezer misschien wel had willen hebben – ze zijn hun eigen commentaar.

Dit zijn nog maar twee stukken. Er staat een uitstekend overzicht van de poëtische discussies van de laatste twintig jaar in Nederlandse Letterkunde, geschreven door Thomas Vaessens die de stand van zaken van de Maximalen tot heden doorneemt. Wie wil weten hoe de machinegeweren in de Vlaamse poëzie hebben gerateld leze het kalme en informatieve stuk van Dietlinde Willockx, die over de poëzie van Peter Verhelst en haar receptie schrijft. En meer, meer. Wat een goed nummer.

Nederlandse Letterkunde, jrg. 7, nr. 4 uitg. Van Gorcum, tel. 0592 379555, prijs €13,-

    • Marjoleine de Vos