Derde Kamer

De reactie van Herbert Blankesteijn (NRC Handelsblad, 16 december), op mijn voorstel om internet te zien als een `Derde Kamer' (10 december) illustreert dat er nog een lange weg te gaan is voordat zoiets mogelijk zal zijn.

Als ik internet als Derde Kamer beschrijf dan gaat het mij niet om het doorgeven van de mening van het volk met tienduizenden e-mails tegelijk. Het gaat mij niet om een soort opiniepeiling waarvoor de borrelpraat in honderden nieuwsgroepen door politici moet worden geturfd. Ook verwacht ik niet dat de politieke keuzes die nu in de Tweede Kamer worden genomen naar internet verhuizen. Dat de omgangsvormen op internet even slecht of slechter zijn dan in de LPF-fractie is in dit verband ook irrelevant.

Waar het mij om gaat is dat burgers zich op internet gezamenlijk, buiten de politieke partijen om, kunnen inzetten voor het formuleren van oplossingen over politieke problemen. Dit gebeurt niet voordat er een brug is geslagen tussen dergelijke discussies op internet en het politieke gevecht erover in de Tweede Kamer. Vooralsnog wordt het medium niet serieus genomen als alternatief of aanvulling op de uitgeleefde structuur van de politieke partijen en blijft de internetdiscussie wat politiek betreft inderdaad vaak steken bij stoom afblazen.

Ik ben het eens met Blankesteijn dat internet ongeschikt is voor besluitvorming. Dat dient dan ook in de Tweede Kamer plaats te vinden. Maar dat is niet omdat internet te toegankelijk is, zoals Blankesteijn beweerd, maar omdat het er niet voor gemaakt is. Het is voor communicatie en informatie, niet voor besluitvorming.

Politici moeten uiteindelijk gekozen worden op basis van hun individuele vermogens om met een duidelijke, eigen politieke visie de verbinding tussen Derde en Tweede Kamer te maken, niet op grond van hun positie in een op zichzelf gerichte politieke partij of hun (populistische) optredens in het televisiecircus.