Arbeidsparticipatie

Het artikel `Migranten wapen tegen crisis' (NRC Handelsblad, 20 december) gaat onder meer in op een opmerkelijke conclusie die volgt uit een analyse van het Centraal Plan Bureau (CPB): De afzwakkende economische groei wordt vooral veroorzaakt door een lager arbeidsaanbod. De remedie is het opengooien van de grenzen, het toelaten van 10.000 extra migranten zou een deel van de malaise oplossen. Dit advies wordt gegeven aan het komende kabinet.

Dat een lager arbeidsaanbod de voornaamste oorzaak van de crisis is wil ik desnoods nog wel geloven, maar dat het toelaten van meer migranten bijdraagt aan de oplossing van het probleem is niet zonder meer waar. Daarvoor zullen deze 10.000 nieuwkomers de handen uit de mouwen moeten steken.

In een nummer over migratie van 2 november 2002 publiceert The Economist een grafiek waarin de arbeidsparticipatie van migranten in 17 landen wordt vergeleken. De cijfers zijn afkomstig van de OESO en dateren van 1999.

Het blijkt dat van de inwoners van ons land ca 10 procent in het buitenland is geboren. Je zou dus verwachten dat deze groep voor 10 procent of meer (ze zijn immers gemiddeld jonger) zou bijdragen in de arbeidsparticipatie. Het tegendeel is waar, deze migranten maken slechts 3,4 procent uit van de totale werkende bevolking in Nederland, het in verhouding tot de autochtone bevolking laagste percentage van alle in de grafiek genoemde landen.

Hopelijk is het straks aantredende nieuwe kabinet verstandig genoeg om eerst iets te doen aan deze geringe arbeidsparticipatie alvorens een blik met 10.000 immigranten open te trekken. Dat zou de immers de toch al precaire economische groei eerder afremmen dan stimuleren.