Hellas en Holland

In haar gedichten toont Ida Gerhardt zich bepaald niet ongevoelig voor het alledaagse, het hier, het nu. Maar dat staat nooit los van het daar en toen, het eeuwige en onkenbare.

Ida Gerhardt (1905-1997) was geen dichter die haar dichterschap licht opnam. Integendeel. Er zullen weinig dichters zijn die zo dikwijls over het dichten zelf, over het wonder van het ontstaan van een gedicht geschreven hebben. Steeds weer komt Gerhardt terug op een oorsprong die als het ware niet van haar is, die in haar maar tegelijkertijd buiten haar ligt: ,,Ik ben niets dan één groot vermogen', schrijft zij in een gedicht waarin ze de strofen als vogels voorstelt die langs komen vliegen, en elders heet het: ,,Dat wat een vers tot vers maakt/ ìs niet van sterfelijke oorsprong'. In een interview met Maria de Groot, in 1979, zei ze ronduit: ,,De schepping schrijft in mij.'

Dat wil niet zeggen dat haar gedichten haar zomaar kwamen aanwaaien en dat zij eigenlijk niet veel meer hoefde te doen dan stil luisteren en opschrijven. Soms worden haar ,,alleen een ontwerp en een paar `hulplijnen' gegeven en dan moet ik de opdracht maar zien te verstaan'. Wat haar daarbij helpt is, `een absoluut gehoor voor het vers, zoals een ander een absoluut gehoor voor muziek heeft'. Het gebeurt ook wel dat een gedicht `met de beitel uit de taal gehakt' moet worden. En het komt voor dat een gedicht haar zomaar `toevalt', af, volmaakt. Dan kan ze er zelf ook onbekommerd naar kijken, alsof het van een ander is. In het interview met Maria de Groot spreekt De Groot over het gedicht `Maart'. Gerhardt reageert verrukt: ,,Vind je dat ook zo'n sterk gedicht? Ik ben me te pletter geschrokken van dat vers.'

Een dichteres met een absoluut versgehoor die zich te pletter schrikt van haar eigen gedichten, die weet dat wat ze maakt alleen uit stilte en eenzaamheid naar boven gehaald kan worden en dat alles wat uit de mens voortkomt niet het ware is. Het is zij niet die spreekt, het is het andere, de schepping, God, hoe je het maar noemen wilt. Gerhardt lijkt te luisteren naar de pythia in haarzelf die, met moeite en pijn, klanken doorgeeft. In Delfi werden van die klanken en kreten door de Apollo-priesters strenge hexameters gemaakt. Vervoering en ordening gingen daar samen, en in Ida Gerhardt ook. Zij is tegelijkertijd pythia en priester, vervoerde en maatgever.

Maar ook de door haar bewonderde grote dichters uit de oudheid deden het niet voorkomen alsof het allemaal hun eigen knapheid was die ze ertoe bracht de Ilias te schrijven of De rerum natura. Wat ze schreven, de diepere waarheid daarvan, was niet van hen zelf afkomstig, maar van een godheid of een muze. Het is aan de dichter om techniek en taalbeheersing zo kunstig mogelijk aan te wenden, het is niet aan hem of haar om de waarheid te onthullen. Die komt van elders. Gerhardt dichtte: ,,Wie dichter is zorgt dat hij staan laat,/ mijn zoon, wat nièt van zijn hand is.'

Voor wie het dichten zo opvat kan wat uiteindelijk in een gedicht terechtkomt nooit banaal zijn. Hoe eenvoudig het er ook uitziet, elk gedicht onthult iets van een waarheid die `niet van sterfelijke oorsprong is'. Of het nu gaat om een linnenkast met vers gestreken lakens, om zonlicht door het raam, om tureluurs in een weiland, schuilen voor de regen, het kopen van witbrood, de melkboer, een kopje koffie in een café alles en alles staat bij een dergelijk type dichter in het licht van die grotere waarheid.

Nevelingen

Zo'n mythologisering van ongeveer alles, kan makkelijk licht belachelijk klinken of worden, zeker in een tijd waarin wat minder hoge opvattingen van het dichterschap vigeren. Wie over schapen schrijft: ,,daar (-) waarden zij om als nevelingen', wie over Hercules Seghers, die het Hollandse licht zo weergaloos wist te vangen, dicht: ,,Die Hercules was geheten,/ hij was het te etsen bij machte', wie een koe bedicht als een `huisgodin' en wie niet schrijft ooit een visotter in de rivier gezien te hebben, maar: ,,In de Lekbocht/ heb ik als kind een visotter gekend' die maakt wel duidelijk dat er over alles wat zij schrijft niet gering gedacht moet worden. Die roept dus ook gemakkelijk hoon of spot over zich af. Waarover zij zich dan weer in gedichten kan beklagen, waardoor het allemaal nog erger wordt. Denk aan het gedicht `Vogelvrij' waarin de dichteres een wandeling maakt en door kinderen met aardkluiten wordt bekogeld. Ze dicht dan: ,,zij zagen mij de dichter aan/ en deden frank, wat meer discreet/ de wereld dagelijks heeft gedaan'. Kinderen die iemand `de dichter aanzien' en dat niet kunnen verdragen het is een weinig overdreven, om niet te zeggen irritant. Zo erg zal het ook wel weer niet geweest zijn.

Maar ik vrees dat het in haar geval eigenlijk niet anders kan. Als de wereld zo enorm betekenisvol wordt opgevat dan moet ook de geringste afwijzende hoofdbeweging, kwajongensgedrag, een besmuikt lachje, een plaats krijgen in de alledaagse mythe. En die plaats is dan de plaats van het kwaad, de boze machten, de onverschillige wereld. In Gerhardts taal kan niets betekenisloos zijn of onbelangrijk. Het maakt haar aan de ene kant bijna geëxalteerd hoogdravend, aan de andere kant toont zij er haar grote gevoeligheid door, een vermogen om door bijna alles diep geraakt te worden en die geraaktheid dan weer in te dammen door strenge taal en metriek.

Gerhardt heeft het vermogen om de wereld in een ander perspectief te zetten, niet alleen in dat van een goddelijke ordening, maar ook in dat van oudere werelden en hun beelden. In haar gedichten komt nogal eens de Nijl voor, de rivier aller rivieren die naar heel de Egyptische godenwereld maar ook naar Mozes verwijst. `De vogel met de rode poten, tureluur' die in het gedicht `Anamnèsis' gezien wordt aan een Nederlandse rivier, op een `blauw bazalten krib' brengt ons de Nijl en heeft de Nijl iets van Nederland gebracht. In het gedicht gaat het om plaatsen, maar in zekere zin gaat het ook hier om tijden het gaat niet alleen om de Nijl of om de IJssel nu, het gaat om de idee Nijl en de idee IJssel om het eeuwige Egypte, het eeuwige Holland. De tureluur trok niet alleen in het jaar dat Gerhardt haar gedicht schreef van Egypte naar Nederland. Dat heeft die vogel altijd gedaan. Híer heeft men altijd dáár kunnen horen in zijn geluiden, daar heeft men altijd de kleuren van hier in `het wielend roepen' kunnen vermoeden.

Veldslagen

Het gaat Gerhardt niet om de geschiedenis, ze heeft het nooit over veldslagen, Middeleeuwen of P.C. Hooft, nu ja: een enkele keer ziet ze Bredero voorbij schaatsen of Verlaine een glas wijn drinken. Ze laat hele eeuwen achteloos links liggen. Als zij het over eeuwen heeft, dan refereert ze altijd aan een mythische oertijd, en die localiseert ze in het antieke Rome maar liever nog in het archaïsche Griekenland. En als alles goed gaat, is dat archaïsche Griekenland nog steeds zichtbaar in het heden, steekt het door de Hollandse werkelijkheid heen en legt zo het verband tussen de tijd waarin alles het eerst en het echtst werd gezegd en gevoeld, de tijd waarin de goden nog tussen de mensen leefden, de tijd van de helden, van de dichters, de tijd van de waarheid vooral, en het heden, waarin dat allemaal dikwijls ver weg lijkt.

In haar studie Stralend in gestrenge samenhang. Ida Gerhardt en de klassieke oudheid laat Mieke Koenen zien hoe nauw de banden tussen Gerhardt en de door haar bewonderde grote dichters uit de oudheid de Romeinen Lucretius, Epicurus en Vergilius, de Grieken Homerus, Sappho, Socrates en Plato zijn en hoe karakteristiek voor dit werk de verbintenis `met haar eigen Holland' is.

Daarom moet haar taal ook wel tegen het archaïsche aanliggen juist in klassieke metra en met een woordgebruik dat de tijd heeft getrotseerd kan zij de oertijd van de beschaving verbinden met het nu. Hedendaags taalgebruik, vrijblijvende versregels, parlando zouden nooit kunnen duidelijk maken hoezeer er verband is tussen een Griekse efebe en een Overijsselse boerenjongen, zouden nooit kunnen laten zien hoe de jeugdige Griekse helden en goden ook nu nog leven, in andere gedaantes. Als haar taal modern zou zijn en haar poëtica minder streng, dan zou ze alleen maar zeggen dat die vroegere tijden niet verloren zijn, dan zou ze dat niet, zoals nu, laten zien.

Het is dan ook een schok om haar ineens het woord `happening' te zien gebruiken, in het begin van Twee uur: de klokken antwoorden elkaar: ,,Ik zag bij toeval, als er toeval is,/ een happening aan het meer van Neuchâtel'. Het staat haar niet. Al wordt die happening dan nog zo mythisch vervolgens, want dat wordt hij. De Zwitserse schoolkinderen bij het meer van Neuchâtel, die hun schriften opstapelen om ze te gaan verbranden, Gerhardt slaat ze gade en schrijft: ,,o Hellas, o epheben gij zijt hier'. En de jongen op wie ongeduldig gewacht wordt, degene die petroleum ging halen of iets anders dat zou kunnen branden, wordt beschreven als `de schuldige jonge Hermes'.

Tegelijkertijd twijfelt de dichter eraan of dat verband tussen toen en nu nog wel bestaat. Of de oudheid, dat wil zeggen, de waarden uit de oudheid, nog wel toegankelijk zijn voor de mensen nu. `Vervreemd is alles en de wereld dor', dicht ze somber. Maar ze hoopt dat het blijft bestaan, datgene wat `stralend de millennia doorscheen', aan haar zal het niet liggen.

Het zal ook niet voor niets zijn dat ze, als ze een gedicht schrijft dat refereert aan haar afnemend gezichtsvermogen, een gedicht dat verheugd begint met `Gisteren heb ik zomaar een naam gespeld', beweert dat de naam van de rijnaak die ze spelde, `Argo' was. Natuurlijk. Zij ziet heus niet de `Neeltje Jacoba' voorbij varen. Nooit nog heb ik een binnenvaartschip gezien dat `Argo' heette, bovendien kán ze immers eigenlijk niet meer lezen, het woord `blindlezen' valt zelfs in dit gedicht en dat moet wel iets betekenen als niet zien en toch lezen. Als zij niet ziet en toch leest, dan ziet deze bijkans blinde dichteres de naam van het schip dat die andere dichter, Orfeus, over het water droeg. Ze ziet een mythe, op een Hollandse rivier. De naam staat ook, om het geheel nog Griekser te maken, `helwit op een azuren veld'. Ik weet het zeker: behalve Ida Gerhardt heeft nooit iemand deze aak gezien. Toen en nu, Orfeus en Gerhardt, de Rijn en de Hellespont: het is één doorlopende lijn, één geheel, één verband.

Nog sterker komt dat verband naar voren in een ander gedicht uit De adelaarsvarens (haar laatste bundel), namelijk het gedicht `Intocht'. Daarin wordt in onverbiddelijke jamben beschreven hoe schoolkinderen uit hun dorpen op de fiets, een enkeling zelfs op een ongezadeld paard het gedicht beschrijft een scène uit 1946 op weg zijn naar het gymnasium. Hoewel het gedicht het over wind en fietsen, Genemuiden en Zwartsluis heeft, dus een zeer Hollandse scène beschrijft, is de toon van het vers eerder Homerisch, krijgshaftig. Over de tweedeklassers die voorop fietsen heet het: ,,vooraan bereiden hun de baan,/ de bijnaam dragend van `het gruis',/ die straks hun eerste Grieks verslaan.' Die toon bereidt de lezer voor op wat de dichteres ons wil vertellen: dat ze even, in deze scholieren, die hier dan `de ephebenstoet' gaan heten, het fries van het Parthenon ziet. Ze schrijft hoe ze, na dit korte visioen, door haar tranen heen weer naar de leerlingen kijkt en toen: ,,wist ik dat ook dit Hellas was./ De tijden waren niet gescheiden.'

Daar zegt ze het zelf: `de tijden waren niet gescheiden', ook in Kampen is Griekenland te zien, dat wil zeggen, de mythische, eeuwige schoonheid.

Sterrenhemel

Waarom is dat nu zo belangrijk, dat de tijden niet gescheiden waren. Waarom moet `Hellas' ook hier zijn? Waarom, als Gerhardt een gedicht schrijft dat heet `Achilles en Xanthos' Xanthos is de hengst van Achilles waarom beschrijft ze paard en jongen dan zo dat het gedicht net zo goed over een paard en een jongen op een boerderij in Brummen zou kunnen gaan? Waarom altijd maar weer die efeben, altijd maar weer Sappho, Homerus, Alcman, Epicurus? En als het die niet zijn, en het is de Nijl niet, dan is er wel de bijbel of de sterrenhemel om een en ander in een grootser verband te plaatsen. Niet omdat ze het hier en nu niet belangrijk vindt iemand die zo aan een stuk door lichtval en luchten, stromend water en zilte geur, grutto's en brood in haar gedichten onderbrengt, die kan niet beschuldigd worden van een gebrek aan vermogen om het alledaagse, het nu, het hier te zien. Maar dat is bij haar nooit los van het daar en toen, niet los van het eeuwige en het onkenbare.

In haar dankwoord bij de Prijs voor Meesterschap die ze in 1979 ontving, zei Ida Gerhardt dat ze altijd `onder een vraag' heeft geleefd en wel `een vraag van gene zijde'. Die vraag zet ze zelf om in verschillende vragen die ze bij elk gedicht beantwoorden moet, vragen naar de kracht en de juistheid van het vers. Een daarvan is: ,,Zou het, in zijn essentie, voor alle mensen en van alle tijden kunnen zijn?' Alle mensen, alle tijden. Ze zal wel niet zozeer denken aan een zeventiende-eeuwse Amsterdamse drinkebroer, maar eerder aan een Athener uit de tijd van Perikles, aan Vergilius en Lucretius. Maar niet alleen aan hen, ook aan gewone mensen, aan degenen die op de Griekse grafstenen herdacht worden, aan de mannen en vrouwen die eenvoudig leefden en leven, degenen die altijd maar weer dezelfde gewone gebaren maakten en maken: melk kopen, de was doen, de akker ploegen, een schip aanleggen. Zoals de vrouw uit `Wintermorgen in Ierland', een schitterend eenvoudig gedicht waarvan de eerste strofe luidt:

Het wintert. Witberijpt komt thuis

die dapper de fourage torst

en immer sterrenstelsels morst

van melkstippels op het plavuis -

en meldt bedaard zes graden vorst.

Alles gewoon en als altijd - deze wintermorgen in Ierland geeft, zo beschreven, de indruk dat alle wintermorgens in Ierland in wezen zo gaan, al is het dan ook nog zo zeer deze ene specifieke morgen. Maar door die suggestie van, ook hier weer, altijd, overal, iedereen, kan ze zo groots eindigen als ze doet:

Hoedt nu het vuur, en hoedt elkaar

dat ge in de kentering van het jaar,

als straalt Arkturus aan de lucht,

de gouden uren niet ontvlucht.

Kom, winter, met uw kou, uw tucht.

`Hoedt nu het vuur en hoedt elkaar', dat is weer zo'n regel die ook heel goed uit de Georgica afkomstig zou kunnen zijn. Het zijn zulke regels, op deze wijze verwoord, waarmee Gerhardt de eeuwen met elkaar verbindt en ze tegelijkertijd weg laat vallen, alsof tijd geen rol speelt. Koenen citeert in haar boek een passage uit Gerhardts Georgica-vertaling waarin ook het sterrenbeeld Arkturus voorkomt - voor de klassieke verwijzingen en verbanden van Gerhardt is dat boek onontbeerlijk.

Gerhardt heeft het nooit over de klassieke tijd als over iets ouds. Ze lijkt die tijd eerder als een begin te zien, als de jeugd, de tijd waarin alles het mooist, het waarst, het echtst was, waarin de dingen diep gevoeld werden. Het past bij een dichteres die zich steeds weer solidair verklaart met kinderen, met jeugd ook in hen ziet ze het nog onbedorvene, de gevoeligheid, de zuiverheid, de aanleg. Zouden we daar van afgesneden worden, zou er geen verbinding meer bestaan, dan kan er niet anders dan verdorring volgen.

Tegelijk is het omgekeerde waar: dat alles wat zij zo bewondert in de dichters en hun werken uit de oudheid, waardeloos zou worden als het geen enkel verband meer met ons, met het hier en nu zou hebben. Niet alleen wij, ook zij zijn verloren als de verbintenis verbroken wordt. Daarom reikt ze zo ver terug als ze kan. Daarom legt ze in haar versregels steeds weer het verband tussen toen en nu, Hellas en Holland. Daarom ziet zij in een jongetje met een St. Maarten-lampion een kleine Eroos, en zit in een restaurant ineens Socrates op háár vaste plaats. Als dat niet zo zou zijn, zou veel, zo niet alles verloren gaan.

Mieke Koenen: Stralend in gestrenge samenhang. Ida Gerhardt en de klassieke oudheid. Uitg. Historische uitgeverij, €24,95