Zegt u maar jij

U zeggen is pas 200 jaar oud. Ooit was het beleefd, nu is het handig om afstand te houden. Neerlandica Hanny Vermaas bracht het veranderende jij-en-u-gedrag in kaart.

Nu normen en waarden een geliefd onderwerp zijn in de media, steekt ook af en toe het thema van de aanspreekvormen de kop op. Er zou tegenwoordig te gemakkelijk je en jij worden gezegd. Op het eerste gezicht lijkt het inderdaad alsof het je-en-jij-gebruik de afgelopen decennia fors is toegenomen, ten koste van u. Tegenwoordig zeggen de meeste kinderen jij tegen hun ouders (81 procent). Leerkrachten worden ook vaker getutoyeerd. En op tv klinkt het j-woord steeds meer, in quizzen, talkshows en interviews. De traditionele vraag `vind je het goed als ik jij zeg?' hoeft daar niet meer aan vooraf te gaan. Zelfs in de lijsttrekkersdebatten, waar tot voor kort de alleenheerschappij van het u heerste, klonk het afgelopen jaar wel eens een je, jij of jullie (Fortuyn, maar ook Rosenmöller).

Het lijkt eenvoudig: ons taalgebruik wordt informeler. Steeds meer je, jij en jullie, steeds minder u. ``Maar zo eenvoudig is het niet'', zegt Hanny Vermaas, die deze zomer promoveerde op de geschiedenis van de Nederlandse aanspreekvormen. ``Er zijn óók situaties waarin vroeger je of jij gezegd werd, en nu u. De klusjesman en de ober werden een eeuw geleden getutoyeerd, nu worden ze meestal met u aangesproken.'' Dat geldt ook voor de verdachte van lagere komaf, die in de negentiende eeuw door de rechter nog met je kon worden aangesproken. Tegenwoordig is dat ondenkbaar: de rechter spreekt iedereen in de rechtszaal met u aan. In deze situaties lijkt er dus eerder sprake te zijn van een verschuiving in omgekeerde richting: van informeel naar formeel.

De verschuivingen zijn, aldus Vermaas, niet te verklaren vanuit een eendimensionaal systeem (bijvoorbeeld formeel versus informeel, of beleefd versus vertrouwelijk). ``Er zijn twee aspecten die hier een rol spelen: status en solidariteit. Je moet dat zien als twee onafhankelijke parameters, die elkaar kunnen versterken, maar die ook met elkaar in tegenspraak kunnen zijn. Als kinderen hun ouders aanspreken, hebben we te maken met `plus status' en `plus solidariteit': er is per definitie een statusverschil tussen ouder en kind, maar er is ook verbondenheid. `Plus status' resulteert in u, maar `plus solidariteit' resulteert in je en jij. Er is dus geen eenduidige uitkomst. Vroeger gaf het status-aspect de doorslag en werd het u. Tegenwoordig ligt de nadruk op het solidariteitsaspect, en daarom zeggen de meeste kinderen je en jij.''

De verschuiving van je naar u bij klusjesmannen en obers kan op dezelfde manier verklaard worden. Ook hier wijzen de parameters naar verschillende aanspreekvormen: de omgang met klusjesmannen en obers wordt gekenmerkt door `min status' (lager personeel) en `min solidariteit' (een zakelijke, afstandelijke houding). Een eeuw geleden onderstreepte men het statusverschil door jij te zeggen. Tegenwoordig ligt de nadruk op zakelijkheid, en dus wordt er u gezegd: u creëert afstand om wat voor reden dan ook.

``U was vroeger vooral een beleefdheidsvorm'', resumeert Vermaas. ``Zo vind je het ook terug in allerlei oudere grammatica's. De regels waren eenvoudig en duidelijk. Tegenwoordig is het beeld complexer. U kan ook tegen ondergeschikten gezegd worden. Het fungeert steeds meer als een distantiepronomen.''

Omdat er twee parameters in het geding zijn, die elkaar kunnen tegenspreken, is het stelsel van aanspreekvormen altijd een instabiel, veranderlijk systeem. Dat blijkt ook uit de geschiedenis van het Nederlands. In de Middeleeuwen was er de keuze tussen `ghi' (u) en `du' (jij). Maar `du' verdween, waardoor we hier een tijdlang, net als in Engeland, een systeem hadden van maar één aanspreekvorm: `gij'. Later ontstond er toch weer een aparte beleefdheidsvorm, `u', die rond 1800 algemeen ingeburgerd raakte. In diezelfde periode veranderde `gij' in `jij' de vorm die daarvoor al prevaleerde in de Hollandse dialecten.

Het middeleeuwse verschil tussen ghi en du komt niet helemaal overeen met het huidige verschil tussen u en jij. Vermaas: ``Ghi kon eigenlijk altijd gebruikt worden, ook bij vertrouwelijkheid. Dat zie je bijvoorbeeld in Van den vos Reynaerde, waar de dieren elkaar met ghi aanspreken. Alleen als er veel emotie in het spel is, zoals aanhankelijkheid, maar ook minachting of boosheid, dan gaan die dieren opeens du tegen elkaar zeggen. Dat du was dus veel directer dan ons je en jij. Ik vermoed dat het een negatieve bijklank kreeg, vanwege die associatie met minachting en boosheid, en daardoor is verdwenen. In de Statenbijbel van 1637 komt du niet meer voor.''

U was aanvankelijk gewoon het object (lijdend of meewerkend voorwerp) van ghi/gij. In Karel ende Elegast zegt keizer Karel als hij Elegast tegenkomt: `Nu segt mi, ridder, wie ghi sijt / ic sal u zegghen minen name.' Het kan zijn dat u zich in de achttiende eeuw van dit ghi/gij heeft losgemaakt, om vervolgens een zelfstandige, meer beleefde betekenis te krijgen. Maar het is ook mogelijk dat u zich heeft ontwikkeld uit de beleefde uitdrukking `Uwe Edelheid', dat later werd afgekort tot `U.E.'/ `Uwé'. Een derde mogelijkheid is dat beide ontwikkelingen zich gelijktijdig hebben voorgedaan en elkaar hebben versterkt.

``Hoe het ook zij'', zegt Vermaas, ``het Nederlands bleek opnieuw behoefte te hebben aan een systeem met twee aanspreekvormen. Men raakte in die tijd meer bekend met de Duitse en Franse gewoonten op dit gebied. In die landen bestond wèl een duidelijk verschil tussen u en jij. Dat zal zeker ook van invloed zijn geweest.''

Vermaas hield, verspreid over Nederland, een enquête onder 600 scholieren, hun ouders (500) en hun grootouders (275). Die moesten voor allerlei uiteenlopende situaties aangeven of ze u of jij zeiden. Door de resultaten van de drie generaties naast elkaar te leggen, ontstond er een beeld van de afgelopen zestig jaar. ``Van de oudere generatie zei 73 procent tegen de ouders `u'. Bij de jongere generatie is dat nog maar 19 procent. Vanaf een bepaald moment hebben jonge ouders hun kinderen bewust opgevoed met het idee: je hoeft geen u te zeggen, hoor. Dat heeft vervolgens zijn doorwerking gehad. Die kinderen dachten: nou, dan hoef ik ook geen u te zeggen tegen mijn tante of tegen de buurvrouw.''

Als de parameters verschillende richtingen uit wijzen, dan ontstaat er vaak onzekerheid. Het komt veel voor dat mensen u en jij door elkaar gebruiken. ``Dat zie je bijvoorbeeld bij interviews'', zegt Vermaas. ``Men weet dan niet goed wat er benadrukt moet worden: de status van de gesprekspartner of een bepaalde vertrouwelijkheid in het gesprek. Heel grappig. Het springt soms heen en weer, afhankelijk van het gespreksonderwerp: van zakelijk naar vertrouwelijk en weer terug. Ik heb het zelf ook meegemaakt, toen ik voor de radio werd geïnterviewd. Er werd van tevoren afgesproken om elkaar te tutoyeren, maar tijdens de uitzending werd er toch een paar keer u tegen me gezegd.''

Ook op de werkvloer heerst geregeld onzekerheid over u of jij. De directie wordt in de wandelgangen vaak getutoyeerd, maar tijdens sollicitatie- of functioneringsgesprekken wordt er meestal overgeschakeld op u. ``Kamerleden zijn ook een duidelijk voorbeeld'', zegt Vermaas. ``Die zeggen in de wandelgangen allemaal jij tegen elkaar dat benadrukt de collegialiteit. Maar in de Tweede Kamer is het altijd u. Behalve, heel zelden, bij boosheid, minachting of andere grote emoties.'' Dan schakelen de parlementariërs, net als de dieren in Van den vos Reynaerde, opeens over op je en jij, dat in deze context heel erg direct overkomt.

Uit Vermaas' enquête blijkt dat er één groep is, die zich aan het algemene beeld onttrekt. In orthodox-protestantse kringen zegt 75 procent van de scholieren u tegen de ouders. Het gekke is dat van hun eigen ouders maar 63 procent u zegt (of zei) tegen hún ouders. ``De verklaring is eenvoudig'', zegt Vermaas. ``Daar zitten veel mensen bij die dialect spreken, en in de meeste dialecten is er maar één vorm.'' Mensen die zo'n dialect spreken, kunnen iemand alleen vousvoyeren door op ABN over te gaan.

Vermaas denkt dat de dialectische aanspreekvorm soms een neutrale positie kan innemen, tussen de beide ABN-vormen in. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Brabant, waar zelfs de importbevolking het Brabantse `gij' en `ge' in hun informelere ABN incorporeren: `Hedde gij die film al gezien?' Daarnaast vermoedt Vermaas dat er binnen het ABN zelf een subtiel verschil begint te ontstaan tussen `je' en `jij'. ``Ik denk wel eens dat je als een tussenvorm fungeert. Het is veel minder nadrukkelijk dan jij. Jij is heel erg direct, zo van: ik tutoyeer. U wordt steeds afstandelijker. Je lijkt daar een beetje tussenin te zitten. Natuurlijk is jij de benadrukte vorm van je. Maar het is altijd mogelijk om jij te vermijden of om over te schakelen op u. Ik zie dat mensen dat doen.''

Ook `jullie', de meervoudsvorm van je en jij, lijkt zich te ontwikkelen tot een neutrale vorm. `U' als meervoud wordt zeldzamer. ``Als een enkeling met u wordt aangesproken, dan wordt de hele groep vaak met jullie aangesproken. Dat zie je bijvoorbeeld bij reisgezelschappen. Ik ga daar wel eens een beetje bij staan, om te horen hoe de mensen worden aangesproken. Dan valt het me op dat er tegen de hele groep jullie gezegd wordt. `Kan ik nog iets voor jullie doen?' `Vinden jullie dat goed?' Terwijl een individu uit die groep met u wordt aangesproken. Na de moord op Fortuyn zag je hoe dat gebruik van jullie ook weer tot misverstanden kon leiden: toen journalisten milieuactivisten vragen stelden met jullie erin, in plaats van met u. Dat werd door die activisten als te direct en te bedreigend ervaren. Terwijl het voor die journalisten misschien alleen maar de neutrale vorm was.''

tegenwoordig zeggen de meeste kinderen jij tegen hun ouders