Vrijheid van onderwijs is passé

Een grondwetsartikel uit 1917 is ten onrechte nog steeds dominant aanwezig in het Nederlandse onderwijs want het staat oplossingen voor de huidige problemen in de weg, vindt Ton van Haperen.

Het islamitisch onderwijs ligt op de pijnbank. Leraren zetten in de godsdienstles aan tot haat, bevorderen segregatie en handelen in strijd met de Grondwet. VVD-lijsttrekker Zalm trekt zijn conclusie en wil een stop op de stichting van islamitische scholen. Het CDA doet het wat rustiger aan en eist inspectie van het godsdienstonderwijs. Maar dat is niet gebruikelijk in een bestel met als peiler soevereiniteit in eigen kring. Waarna een discussie over de vrijheid van onderwijs losbarst.

Islamitisch onderwijs is overwegend klassikaal en cognitief gericht. Inleveren op zang, dans, handvaardigheid en gymnastiek heet in inspectietermen een `matig pedagogisch klimaat', maar de CITO-scores gaan wel omhoog. Hierdoor stromen allochtone kinderen eerder door naar een hoger schooltype, ontwikkelen zich naar hun mogelijkheden, zijn minder maatschappelijk gefrustreerd, krijgen een voorbeeldfunctie, sturen hun kinderen naar middenklasse-scholen en bevorderen dus integratie.

Zeker, daar betalen we een prijs voor. Inrichten van een school op basis van eigen geloofsovertuiging is namelijk per definitie een daad van haat; het ene kind mag niet in één klas met het andere. Er bestaan streng christelijke scholen met een populatie die dagelijks tientallen kilometers fietsen om onder gelijkgestemden te mogen verkeren. Godsdienstles is ook daar een voortdurende bevestiging van het eigen gelijk versus de vergissingen van de vijandige buitenwereld. Het enig verschil met islamieten is dat het gaat om een groep witte, relatief welgestelde, burgers met een particuliere overtuiging. En dát is natuurlijk de kwestie: moet de belastingbetaler hier dan ook aan bijdragen? Want vrijheid van onderwijs stuurt de aanwending van middelen, in een periode van publieke armoede.

Terwijl onderwijsvernieuwing hier mislukt, verschuift in de rest van westerse wereld in de curricula het accent van kennen naar kunnen. Nederland kan dit proces niet bijbenen. Lerarentekort en lesuitval maken het allemaal erger. In dit krachtenspel is de identiteit van de school een futiliteit, doen ruim dertig islamitische scholen er niet toe en zit het gevaar van de vrijheid van onderwijs ergens anders.

Die verschuiving in aandacht van kennen naar kunnen heeft namelijk gevolgen voor inrichting van scholen. Vaardigheid bijbrengen met grote groepen en een paar lessen per week kan niet. De hoge leerling-leraar-ratio maakt modern onderwijs zelfs onmogelijk. Tijd voor individuele begeleiding ontbreekt, laat staan dat een docent toekomt aan gerichte training. Zonder heel veel extra geld is er dan maar één uitweg; een groot aantal vakken met al hun eindtermen en kerndoelen sneuvelt. Godsdienst, kunst en de derde vreemde taal hebben een laag leerrendement en staan onderwijskundige vernieuwing in de weg. In een geseculariseerde samenleving ligt het voor de hand om het godsdienstonderwijs als eerste te privatiseren. Maar dat mag niet, dus schaffen gemeentes de zwemles maar af.

Uiteindelijk lost elk probleem zich vanzelf op. Voor godsdienst is amper een leraar te krijgen. Maar dat geldt helaas ook voor andere vakken. Het lerarentekort is dé bedreiging van de kwaliteit van het onderwijs. Een grondwetsartikel uit 1917 is nog steeds dominant aanwezig in het Nederlands onderwijs, maar het staat concrete oplossingen voor eigentijdse problemen in de weg.

Ton van Haperen is leraar en lerarenopleider.

    • Ton van Haperen