GRIJZE HERSENCELLEN VERDWIJNEN VÓÓR EN TIJDENS EEN PSYCHOSE

In de hersenen van psychotische patiënten treden anatomische veranderingen op. De hersenschors neemt op bepaalde plaatsen in volume af. Sommige veranderingen treden op voordat de psychose ontstaat, andere pas tijdens deze psychische ontsporing. Dat blijkt uit onderzoek van Australische en Engelse psychiaters op grond van MRI-scans van schizofrene en manisch-depressieve patiënten. Hun onderzoek is een aanzet tot het opsporen en behandelen van risicopatiënten vóór de psychose toeslaat (The Lancet online, 10 dec).

Psychiatrische patiënten die psychotisch worden verliezen het contact met de werkelijkheid. Ze hallucineren, hebben wanen en denken verward: ze horen stemmen of zijn ervan overtuigd dat ze God, Napoleon of Pim Fortuyn zijn, dan wel in nauw contact met deze grootheden staat. Het warrige denkproces is een ernstig obstakel in de communicatie met de patiënt. Al vóórdat ze psychotisch worden, gedragen de patiënten zich abnormaal. Ze kunnen voor hun doen ongewoon introvert, achterdochtig, futloos of snel geïrriteerd zijn; daarnaast komen abnormale waarnemingen, geheugenproblemen en denk- en aandachtstoornissen voor. Deze symptomen worden door psychiaters prodromen genoemd. Psychosen komen het meest voor bij mensen tussen de 15 en 30 jaar en hangen meestal samen met een manisch-depressieve aandoening (bipolaire stoornis), schizofrenie of druggebruik.

Het is al jaren bekend dat er bij psychotische patiënten afwijkingen in de hersenen bestaan. Onduidelijk was echter of deze al bestonden als de eerste symptomen van de naderende psychose zich aandienden, of pas in de loop van de ziekte ontstaan. De onderzoekers maakten daarom MRI-hersenscans van 75 psychiatrische patiënten die nog nooit een psychose hadden doorgemaakt, maar bij wie wel prodromen waren vastgesteld. Een jaar later waren 23 van hen psychotisch geworden. De scans van deze mensen werden daarop vergeleken met die van de patiënten die niet psychotisch waren geworden. Daarbij bleek dat bepaalde delen van de temporale en frontale hersenschors bij de psychoten kleiner waren.

Eenentwintig patiënten die volgens de psychiaters een zeer grote kans op een psychose hadden, namen deel aan een parallelonderzoek. Tijdens een psychose of anders uiterlijk een jaar na de eerste scan, werd een tweede gemaakt. De scans van de tien patiënten die in de tussentijd psychotisch waren geworden, werden vervolgens vergeleken met de scans van de elf anderen. Bij de psychoten was meer hersenmassa verdwenen, waarbij opviel dat de achteruitgang zich vooral voordeed in delen van de hersenschors die voorheen niet waren aangetast. De onderzoekers concluderen dan ook dat een deel van de gevonden anatomische veranderingen aan een psychose voorafgaat. Tijdens de psychose verdwijnt elders nog meer grijze massa uit de hersenen. De onderzoekers hopen dat het hierdoor beter mogelijk wordt om te voorspellen welke risicopatiënten ook werkelijk psychotisch worden. Deze kunnen dan al vooraf antipsychotische medicijnen krijgen. Volgens een redactioneel commentaar zijn dan nog wel wat verfijningen in de techniek nodig om valspositieve resultaten (en dus overbodige behandelingen) zoveel mogelijk uit te bannen.