Kermende laatjes

Omdat de Vereniging van Vrienden van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam 65 jaar bestond, werd er enige weken geleden een feest gevierd. Deze vereniging koopt af en toe een kostbaar manuscript of een unieke druk ter aanvulling van de toch al zo mooie collectie. Een twintigtal vrienden-grootverbruikers was gevraagd om bij deze verjaardag te spreken over iets wat hun dierbaar is of was in de universiteitsbibliotheek. Ook ik was uitgenodigd. Er is me veel dierbaar in deze bibliotheek. Ik dacht meteen aan de negentiende-eeuwse brieven die daar bewaard worden en die ik als student al in de handschriftenkamer las. Vaak was ik de eerste lezer na meer dan honderd jaar. Soms viel het zand er nog uit bij het openvouwen. Ik ontdekte er de prachtige brieven van De Schoolmeester en ik las er poëzieschetsen van Willem Kloos. In de jaren zeventig waren er in de oude handschriftenkamer hooguit twee tafels vrijgemaakt voor onderzoek en de medewerkers werkten in dezelfde ruimte. Een van hen droeg ouderwetse leren schoenen die zo hard kraakten dat je soms dacht dat hij muizen vermorzelde onder zijn zolen.

Dierbaar zijn me ook de oude drukken, vooral als die uit de boekerij van de schrijver Eduard Potgieter komen. Geregeld krijg ik, als ik een negentiende-eeuws werk opvraag, een exemplaar aangereikt uit zijn collectie. Potgieter heeft zijn boekenbezit en een hoop geld aan de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek vermaakt, die schat. Ik zou hem postuum erelid van de Vereniging van Vrienden willen maken en als er patroonheiligen voor bibliotheken bestonden, zou hij hoge ogen gooien.

Maar ik heb ook een liefde die wat minder voor de hand ligt. Die dierbare drukken en manuscripten zou ik niet op kunnen vragen als er geen catalogus was. Nu is een gewone alfabetische catalogus niet bepaald iets wat je dierbaar kan gaan worden. De Universiteitsbibliotheek van Amsterdam heeft echter een catalogus waar ik van ben gaan houden. Fysiek heeft het ding niets aantrekkelijks. Integendeel, het gaat om een verzameling van honderden lelijke hardijzeren grijze fichelaatjes die een hartverscheurend krassend geluid geven als je ze openschuift, alsof ze eigenlijk protesteren tegen het gebruik.

Maar de inhoud van de bakken is een wonderbaarlijke microkosmos, die door een geniale gek ontworpen moet zijn. Het geval heet inmiddels `de oude systematische catalogus'. De nieuwe systematische catalogus online braakt informatie als de Etna, maar geeft zelden precies dat boekje of die drie titels die je nodig hebt. Het nieuwe systeem is een pronkjuweel van techniek en vernuft, maar ik word er zo verschrikkelijk moedeloos van als het antwoord op een eenvoudige vraag 187 titels omvat. Of niets, want gemodereerde tussenwegen lijkt de online systematiek niet te kennen.

Toen ik aan mijn proefschrift werkte, had ik geregeld informatie over de meest uiteenlopende onderwerpen nodig. Ik moest weten wat er bedoeld werd met `houten straten in Londen', ik moest achterhalen wanneer er voor het eerst een trein reed tussen Arnhem en Amsterdam, welke grafschriften er op Bilderdijk geschreven waren, hoe James Lardner aan zijn einde was gekomen, hoe de bul heette die paus Pius in 1850 uitvaardigde, of er in Nederland speelkaarten gedrukt werden en wat er in de Nimrúd Room van het Brits Museum bij elkaar stond. Er was geen enkel ander verband tussen deze feiten dan dat Gerrit van de Linde daarover schreef in zijn brieven aan Jacob van Lennep. Dat ik het merendeel van de raadsels kon oplossen, is te danken aan de oude systematische catalogus en de twee heren die er de weg in wisten.

Hoe hij opgebouwd is, heb ik nooit kunnen doorgronden. Hij lijkt in geen enkel opzicht op de Dewey Catalogus, internationaal het meest gebruikte systeem voor bibliotheken om boeken volgens wetenschapsgebieden systematisch op te bergen. In steeds verfijnderde decimale eenheden brengt Dewey de boeken onder. In de Amsterdamse `oude systematische catalogus' is sprake van een lettersysteem. Maar het systeem is onvoorspelbaar, en heeft juist daardoor een geheime charme, omdat ik er een geniaal denksysteem achter vermoed. Tot ongeveer 1980 zijn alle miljoenen boeken en pamfletjes in een ondoorgrondelijke samenhang daarin geordend. Onder A vallen biografieën, maar ook drukkerijen. Onder de C vindt men titels over boerderijennamen, grafschriften, hiërogliefen en wastafeltjes. Bij D moet men zoeken als men informatie over wetenschap, plagiaat en afbeeldingen nodig heeft. Aardrijkskunde (E) bevat behalve boeken over verdwenen landen als Joegoslavië, Kongo en Tsjecho-Slowakije ook boeken over Romantiek, zigeuners, gastvrijheid en het liefdesleven. Bij deze combinatie kan ik me nog iets voorstellen, maar ook lijkbezorging, schoeisel en maaltijden vallen eronder. F is goed voor hunebedden, huismerken, begrafenisboeken en het Gulden Vlies. In het laatje over Godsdienst vindt men trefwoorden als armoede, gehoorzaamheid, taboes en zekerheden. Wie iets over compromissen en kwaadspreken wil weten, zoeke bij filosofie. Doop, martelingen, schadevergoedingen en vaderschap komen bij elkaar in het Rechtenlaatje. Hier moet toch een grote geest achter zitten die verbanden waarneemt waar wij nog nooit van gedroomd hebben?

Zelf lukte het me overigens niet altijd om de catalogus die titels die ik nodig had te laten openbaren. Daarin stond ik blijkbaar niet alleen, want de universiteit had indertijd twee functionarissen die dit systeem beheersten speciaal aangesteld voor hulp aan onderzoekers. De ene was een broodmagere man die op zijn tenen langs de bakken huppelde en die er een genoegen in schiep om langdurig uit te leggen wat je allemaal niet moest doen om bij je antwoord te komen. Hij schoof de kermende laatjes voor je neus open en dicht, danste naar een volgende rij waar je ook niet moest zijn en hielp je uiteindelijk wel naar de oplossing. Als je die eerder vond dan hem lief was, sperde hij van verbazing zijn mond langdurig open.

De andere functionaris verborg zich gewoonlijk achter de hoeken van de bakken. Hij vond alleen moeilijke vragen leuk. De allermoeilijkste maakten in hem een ongekende ijver wakker. Nooit zag ik leuker pretoogjes achter brillenglazen van een bibliothecaris dan die van hem, wanneer hij een schier onmogelijke vraag had weten op te lossen. Ik legde hem uit dat ik niet begreep wat houten straten konden zijn en hij hielp me met een stralende lach aan een boekje over bestratingen in Londen, en inderdaad, rond 1840 is daar een experiment met houten trottoirs geweest.

Maar de computercatalogus kwam, en de twee heren werden met hun laatjes in een onmogelijke kelder zonder daglicht opgeborgen. Ze gingen met vervroegd pensioen of misschien werden ze ziek en de oude systematische catalogus verkommerde en leek beschouwd te worden als een onding uit vroeger tijden dat zo snel mogelijk afgevoerd moest worden. Tot mijn grote vreugde bleek hij enige tijd geleden opeens in ere hersteld te zijn. Hij staat nu op een van de prestigieuze zalen aan de Singelkant, stralend in het daglicht, en langzaam maar zeker zie ik dat hij ontdekt wordt door een nieuwe generatie promovendi.

Ik schoof voor het feest van de Vrienden de laatjes zonder specifiek doel open. Daar waren de trefwoorden weer die zo smakelijk de inhoud van de bibliotheek opdissen: imaginaire bibliotheken, periodieke onthouding, vermoeidheid, het hiernamaals, de twijfel. Ik moest mezelf ertoe dwingen niet meteen alle boekjes die genoemd worden op te vragen.