Belangrijker dan mijn en dijn

Na de oorlog moesten vele kunstwerken, meegenomen door de Duitsers, terug naar de rechtmatige eigenaren. Die teruggave ging niet van harte. Een verlucht boek onthult nu de al eerder bekritiseerde kunstrestitutiepraktijk. En nog steeds wachten claimdossiers op onderzoek.

De joodse kunsthistoricus dr. A.B. de Vries (1905-1983) begon zijn loopbaan in 1934 als conservator van het Rijksmuseum. In de oorlog wist hij naar Zwitserland te ontkomen, waar hij tot 1944 bleef. Aan het eind van dat jaar voegde hij zich bij het Militair Gezag in het bevrijde Brussel om zich in te zetten voor het tijdens de oorlog uit Nederland weggevoerde kunstbezit. In Zwitserland had hij zich daar al druk om gemaakt. Vanuit Basel stuurde hij de Nederlandse regering in ballingschap brieven waarin hij plannen ontvouwde voor een restitutieregeling van de door de Duitsers uit Nederland ontvreemde kunst. Ook bood hij alvast zijn diensten aan om die kunst op te sporen en naar Nederland te brengen.

De gedrevenheid van De Vries werd al snel beloond. Nog voor de bevrijding benoemde de Nederlandse regering hem tot voorzitter van de `Voorlopige Commissie inzake terugverkrijging van kunstschatten, bibliotheken en archieven uit Nederland afkomstig'. Taak van de commissie was om via internationaal overleg regels op te stellen voor de kunstrecuperatie zodat daarmee meteen na de Duitse capitulatie kon worden begonnen.

De Commissie was een voorloper van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die in juni 1945 werd opgericht. Ook daarvan kreeg De Vries de leiding. Kort daarop werd hij ook benoemd tot directeur van de Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie en van het Mauritshuis, waar hij tot 1970 bleef. De opdracht aan de SNK was niet alleen de recuperatie van de naar Duitsland gevoerde kunst, maar ook de teruggave aan de rechtmatige eigenaren, veelal joden die in de oorlog hun bezittingen aan de Duitsers waren kwijtgeraakt.

De recuperatie kwam in oktober 1945 op gang, het ene `kunstkonvooi' na het andere reed Nederland binnen. Tussen 1945 en 1952 zijn in totaal 4.000 schilderijen, 400 tapijten, duizenden meubelstukken en tienduizenden kunstnijverheidsvoorwerpen naar Nederland gehaald. Dat zich tussen al die kunst ook veel – zeker honderd en misschien wel honderden – schilderijen bevonden die helemaal niet uit Nederland afkomstig waren, daar maakte zich in die tijd niemand druk om. Het ging hier immers om een nationaal belang: het herstel van het Nederlands kunstbezit.

Aangetast

Nu was het Nederlands openbaar kunstbezit tijdens de oorlog nauwelijks aangetast door de Duitsers: de meeste musea waren ongemoeid gelaten. Maar er was door de Nederlandse kunsthandel tijdens de oorlog wel veel kunst aan de Duitsers verkocht. De Nederlandse regering had al aan het begin van de oorlog alle transacties met de Duitsers ongeldig verklaard. Dit betekende dat de goederen die vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht na hun recuperatie in handen zouden vallen van de Nederlandse staat. De Vries – en met hem vele andere kunsthistorici en museumdirecteuren – zag in de recuperatie dan ook een uitgelezen kans om niet alleen de Nederlandse musea met honderden kunstwerken te verrijken, maar ook om een `mobilier national' op te richten, een rijkskunstcollectie waar overheidsinstellingen van konden profiteren. Deze ambities maakten dat de andere taak van de SNK, het teruggeven van kunstwerken aan beroofde eigenaren, in de knel kwam. Het ging hierbij om kunstwerken die niet vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht, maar onder dwang, of die door de bezetters waren geconfisqueerd. Het ging, kortom, vaak om joods bezit. Van die categorie kunstwerken kwam niet alleen een veel lager percentage terug uit Duitsland, de teruggave verliep bepaald niet vlekkeloos.

Het is dan ook geen wonder dat bij de kritiek op het naoorlogs rechtsherstel die enkele jaren geleden losbarstte ook de SNK het moest ontgelden. `Formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos', zo typeerde de Commissie Ekkart het teruggavebeleid van de SNK in april 2001.

De commissie Ekkart begeleidt sinds 1998 het project Herkomst Gezocht dat voor het ministerie van OCenW de oorlogsgeschiedenis traceert van de 4.217 gerecupereerde kunstwerken die nu nog in het bezit zijn van het rijk. Omdat bij dat onderzoek herhaaldelijk bleek dat de SNK destijds in gebreke is gebleven bij de teruggave van oorlogskunst gaf de Commissie Ekkart in 2000 opdracht tot een apart onderzoek naar de geschiedenis en de werkwijze van de SNK. Het resultaat is de deze week verschenen studie Betwist Bezit. De Stichting Nederlands Kunstbezit en de teruggave van roofkunst na 1945, geschreven door Eelke Muller en Helen Schretlen, die beiden werken voor het Bureau Herkomst Gezocht. Het is geen rapport, maar een met veel foto's verlucht, mooi uitgegeven boek dat duidelijk bedoeld is voor een breder publiek, al bevat het wel enige taaie juridische uiteenzettingen. Het doel van deze uitgave was het opheffen van de `waas van geheimzinnigheid over dit onderwerp' en het `aanleveren van bouwstenen aan de Commissie Ekkart voor het formuleren van aanbevelingen aan de regering voor het verder te ontwikkelen restitutiebeleid'. Die laatste doelstelling is inmiddels wat achterhaald – sinds de instelling van de Commissie Polak begin dit jaar is de kunstrestitutie in volle gang. Zo kregen de nazaten van de familie Gutmann, die na de oorlog vergeefs kunstclaims indienden bij de SNK, onlangs al hun bij het rijk achtergebleven bezittingen alsnog terug.

Kritiek

Bij de kritiek die de afgelopen jaren op de handelwijze van de SNK werd geuit, moest vooral De Vries het ontgelden. Door zijn visioenen van een nationaal kunstbezit was er bij de SNK in de eerste naoorlogse jaren nauwelijks interesse voor de belangen van individuele Nederlanders die in de oorlog van hun kunstwerken waren beroofd. Uit Betwist bezit blijkt dat die kritiek juist was. Van belangrijke kunstwerken kon De Vries maar moeilijk afstand doen en hij schroomde niet om de rechtvaardigheid op te offeren aan zijn idealen. In 1948 werd hij afgezet als directeur van de SNK en gearresteerd op beschuldiging van fraude. Maar het was wel fraude geweest in dienst van `het museale belang', zoals de officier van justititie later vaststelde en de zaak liep in 1951 dan ook met een sisser af.

In de studie wordt dit allemaal uitvoerig beschreven, maar toch wordt De Vries enigszins uit de wind gehouden. Dat is wel begrijpelijk: als het boek één ding duidelijk maakt dan is het dat De Vries niet alleen stond in zijn idealen en ook dat de hele kunstteruggave nog veel miserabeler had kunnen verlopen. Het `nationaal belang', de opbouw van het vaderland als geheel, gold na de oorlog als een hoger doel en zoals dat met hogere doelen gaat, worden simpeler zaken als mijn en dijn makkelijk uit het oog verloren. Bij de SNK is serieus overwogen of niet alle teruggevoerde kunst `door openbaar bezit te worden tot welzijn van ons volk dient te strekken' – dus om helemaal niets aan de rechthebbenden terug te geven. En als het aan minister van Financiën Lieftinck had gelegen dan was er snel een eind gemaakt aan het naoorlogs rechtsherstel en waren de kunstwerken verkocht ten behoeve van de schatkist.

De Vries was een hoofdrolspeler bij de naoorlogse kunstkwestie. Dat maakte hem later tot hoofdverdachte, maar hij had in die periode van nationale wederopbouw duidelijk veel medestanders en niet alleen binnen de SNK.

De schrijvers van Betwist bezit waren voor hun onderzoek vooral aangewezen op het grotendeels bewaard gebleven archief van de SNK. Daarin bevinden zich onder meer 371 claimdossiers met documentatie over individuele verzoeken om teruggave van kunstwerken. Zoals Muller en Schretlen in hun inleiding melden, was het in het gegeven tijdsbestek onmogelijk om al die dossiers grondig te onderzoeken. Daarom werd volstaan met de bestudering van 148 dossiers. Na een algemeen overzicht van de geschiedenis van de SNK en een beschouwing over de juridische perikelen rondom de gerecupereerde kunst wordt aan de hand van de claimdossiers een beeld geschetst van de kunstrestitutiepraktijk. Dit hoofdstuk, dat een groot deel van het boek in beslag neemt, staat vol schrijnende gevallen van joden die berooid uit de oorlog kwamen en vervolgens bij hun pogingen om hun kunstwerken terug te krijgen op allerlei manieren werden gedwarsboomd door de al te achterdochtige SNK.

De lezer krijgt zo een goed beeld van de rommelige gang van zaken en het inconsequente teruggavebeleid. Maar het was mij liever geweest, wanneer alle 371 claimdossiers waren onderzocht zodat we nu precies hadden geweten hoeveel kunstclaims destijds zijn gehonoreerd, hoeveel afgewezen en op grond waarvan. Dan was het laatste woord over de Stichting Nederlands Kunstbezit werkelijk gesproken. De kans lijkt klein dat dat nu nog ooit zal gebeuren.

Eelke Muller en Helen Schretlen: Betwist bezit. De Sichting Nederlands Kunstbezit en de teruggave van roofkunst na 1945. Waanders, 320 blz. E25,–

Dossier oorlogskunst: www.nrc.nl