Oma erecta

Niet dankzij de jacht maar dankzij de grootmoeder heeft de mens zich ontworsteld aan een bestaan als chimpansee-achtig wezen, aldus antropologe Kirsten Hawkes. Maar ook in premoderne samenlevingen hebben kinderen met een grootmoeder meer kans om te overleven. Een verslag van het oma-front.

Vroeger keken antropologen amper om naar oude vrouwtjes. Jagende mannen waren veel interessanter. ``Ik mocht niet mee met de mannen omdat ik te veel lawaai maakte en het wild zou afschrikken. En de vrouwen wilden me ook al niet mee. (...) Ik had alleen maar een paar baby's en een of twee oude vrouwen als gezelschap, wat moest ik de hele dag doen?'' zo citeert de antropologe Sarah Blaffer Hrdy een typerende klacht van een antropoloog (C.W.M. Hart, die in de jaren twintig een beroemd onderzoek deed onder de Australische Tiwi). Mede dankzij Hrdy's onderzoek van de soms tegenstrijdige belangen van moeders met kinderen (eigen statusverhoging versus overleving van de kinderen) is de laatste jaren de aandacht voor de rol van vrouwen in primitieve samenlevingen sterk vergroot.

Onlangs werd in het Hanse Wissenschaftskolleg in het Duitse Delmenhorst weer een volgende stap gezet in de antropologische vrouwenemancipatie: het eerste wetenschappelijke congres over het evolutionaire en sociale nut van de grootmoeder. ``We denken nog veel te veel in het oude male bonding-model van de geschiedenis van de mensheid'', verzucht een van de organisatoren, Eckhard Voland van de Universiteit Giessen. ``Het is nu wel eens tijd om te kijken naar het belang van de moeder-dochter-kleinkind-banden, het oude matriarchaat als het ware.''

``Het is onder sociologen al langer bekend dat kinderen profiteren van een extended family, die groter is dan het kerngezin'', plaatst Hrdy, de keynote speaker in Delmenhorst, de problematiek in een breder verband. ``Maar nu pas wordt duidelijk dat die hulp van buiten het kerngezin een zeer oude levenswijze is, die evolutionair gunstig was en zelfs cruciaal voor de ontwikkeling van de mens.'' De antropoloog Hillard Kaplan heeft ooit uitgerekend dat een ouder 10 tot 13 miljoen calorieën aan voedsel moet verzamelen om een kind tot volwassenheid op te voeden. Een moeder kan dat nooit alleen. Grootmoeders (`older postreproductive females') zijn bij uitstek geschikt om de moeder bij te staan in de zorg voor haar kind, aldus Hrdy. ``Ze zijn ervaren, minder snel afgeleid door hun eigen agenda's en èrg toegewijd. Dat is al een beetje zo bij sommige apen, maar bij mensen is dat belang nog groter, omdat oude vrouwen ook vaak beschikken over unieke kennis, zoals waar nog water te vinden is bij extreme droogte.''

De oude eskimo

Van belang is wel dat de grootmoeders meer voedsel kunnen verzamelen of anderszins produceren dan ze zelf opeten. ``Als dat niet zo is, komt er vaak snel een eind aan hun leven'', aldus de psycholoog Axel Schölmerich, van de universiteit van Bochum. ``Bij de Ache in Zuid-Amerika was het de gewoonte dat soort onnuttige oudjes van achteren te besluipen en met een bijl de hersens in te slaan. De oude eskimo die wordt achtergelaten op een ijsvlakte is zelfs spreekwoordelijk geworden.''

Kirsten Hawkes, verbonden aan de Universiteit van Utah, die ook sprak op het congres, heeft als een van de weinige antropologen wèl specifiek onderzoek gedaan naar tijdsbesteding van vrouwen bij jagersverzamelaars (bij de Tanzaniaanse Hazda, zie Current Anthropology, augustus 1997). Zogende moeders bleken minder tijd te besteden aan het verzamelen van voedsel dan andere moeders, waardoor hun oudere kinderen minder voedsel kregen. Maar grootmoeders met een kleinkind aan de moederborst èn oudere kleinkinderen bleken dan juist meer tijd te besteden aan het verzamelen van voedsel, vooral wortelknollen. Oudere vrouwen zijn even efficiënt in het opgraven van deze knollen als jongere. Jonge kinderen zijn er echter niet sterk genoeg voor. Kinderen met een oma waren duidelijk beter af.

Zelfs in moderne industriële samenlevingen hebben grootmoeders vaak een rol in de opvoeding van hun kleinkinderen, maar zelden gaat het daarbij om een verschil tussen leven en dood. Vroeger was dat anders. In Gambia en in de Kalahari-woestijn kan je maar beter geboren worden als je grootmoeder nog in leven is, zo bleek op het congres. Want dan is de kans op overleving van de baby aanzienlijk groter. Het zelfde effect werd gevonden bij familiereconstructies in het Oost-Friesland van de achttiende en negentiende eeuw (zie kaders). ``Dat is natuurlijk geen bewijs dat oma's altijd belangrijk zijn geweest, maar het is wel goed nieuws'', aldus Hrdy.

De vraag is natuurlijk wàt al die grootmoeders deden. ``Je kunt niet uit het effect van dode mensen afleiden wat ze doen als ze leven'', merkte de antropoloog Hillard Kaplan op tijdens een discussie. ``Waarschijnlijk onderschat je daarmee ook de bijdrage van de grootmoeders. Want als er geen oma is, neemt misschien een tante of een oud-tante die rol op zich. En dan vind je dus niks in dit soort onderzoek. Je kunt beter kijken wat ze doen.'' Maar dat valt niet mee. Uit de dikkere kleinkinderen met levende oma's uit de onderzoeken blijkt wel dat de grootmoeders voor extra voedsel zorgen. Maar ook Patricia Draper, die de !Kung in de Kalahari-woestijn onderzocht (zie kader), kan niet met zekerheid zeggen hoe !Kung-oma's hun kleinkinderen uit de problemen houden. Er is nooit specifiek onderzoek naar gedaan. ``En met informele observaties vind je geen verklaring voor het grootmoedereffect. We kennen gewoon het mechanisme nog niet. Vroeger dachten we dat we heel veel konden afleiden uit kwalitatieve observaties in het veld. Dat was de tijd van de grote en duidelijke entografische visies. Die tijd is voorbij. Nu hebben we veel meer feitelijke gegevens, maar geen grote visies meer. Hoe meer kwantitatieve gegevens we hebben, hoe complexer het beeld wordt.''

Het belang van de grootmoeder gaat misschien nog wel veel verder dan die evidente hulp aan het nageslacht. Want het lijkt erop dat alléén mensen echte oma's hebben. Bij geen ander dier leven zoveel vrouwen nog zo lang door nadat ze onvruchtbaar zijn geworden. En nog belangrijker: dergelijke oude vrouwtjesdieren spelen geen rol van betekenis meer. Zoals bij alle grootmoederkwesties staat overigens ook dit onderzoek nog in de kinderschoenen. De primatoloog Andreas Paul (Universiteit Göttingen) vertelde in Delmenhorst dat bijvoorbeeld savannebavianenvrouwtjes nog wel een paar jaar kunnen blijven leven na de laatste menstruatie en ook bijvoorbeeld bij makaken komt dat geregeld voor. ``Maar het lijkt er op dat ze in die postreproductieve fase een marginale positie innemen. Ze zijn sociaal weinig actief, ze slapen veel en bevinden zich meestal aan de rand van een groep. Met moeders hebben ze vrijwel geen contact.''

Uit eigen onderzoek naar de voorplanting bij Rotsmakaken (die op Gibraltar wonen) concludeerde Paul dat grootmoeders wel kleinkinderen ronddragen en dergelijke, maar alléén als ze zelf óók nog in de kleine kinderen zitten. Grootmoeders in de menopauze doen niks, iets dat ook bij Japanse makaken is gevonden. Bij de meeste primaten zijn het vrijwel uitsluitend jongere dieren die moeders helpen. ``De enige evolutionaire reden dat vrouwtjes in de menopauze nog een tijdje blijven leven is waarschijnlijk dat ze dan hun laatste eigen kind nog goed kunnen blijven verzorgen. Daarna is het snel afgelopen'', aldus Paul.

Bij mensen ligt dat duidelijk anders. Ook in primitieve omstandigheden, bij volkeren als de Ache in Zuid-Amerika en de !Kung en Hazda in Afrika heeft een vrouw van 45 jaar een gemiddelde levensverwachting van nog twintig extra jaar. Alleen bij de mens is dus de oma vrij om hulp te geven aan haar kleinkinderen. Sterker nog: het is het enige evolutionair nuttige dat ze zou nog kunnen doen – opa kan nog nieuwe kinderen gaan verwekken.

Kirsten Hawkes besprak in Delmenhorst haar radicale these dat precies die opmerkelijke vertraging van de levenscyclus (verlenging van alle fasen van het leven: kindheid, volwassenheid en ouderdom) de belangrijkste vernieuwing is die ons van mensaap op tot mens heeft gemaakt (zie haar artikel in Journal of Human evolution mei 1999). Hawkes plaatst die stap bij de overgang van de chimpansee-achtige Australopithecus naar het menselijke geslacht Homo, zo'n twee miljoen jaar geleden: pas met Homo erectus verscheen de oma op het toneel. Volgens Hawkes is die verandering veel belangrijker geweest dan het feit dat de mens in dezelfde tijd is gaan jagen – zoals vaak wordt aangenomen. De voedselhulp van de grootmoeders aan de overleving van de kleinkinderen, door het opgraven van wortelknollen en dergelijke, moet volgens haar veel belangrijker zijn geweest dan het wild dat vaders bijdroegen aan het `gezinsinkomen'.

Hawkes heeft voor haar theorie een aantal aanwijzingen. In moderne jager/verzamelaars-gemeenschappen wordt de jachtopbrengst meestal onder de hele groep verdeeld, het gezin van de jager profiteert er amper van, zo blijkt uit analyse van het beschikbare materiaal over de Hazda en andere jagers/verzamelaars (de !Kung en Ache, zie Hawkes' `Why Hunter-Gatherers work', in Current Anthropology Augustus 1993). Het voordeel voor jagende mannen is vooral sociale status, niet de voedselvoorziening van het eigen nageslacht. De rol van grootmoeders als voedselvoorzieners is daarentegen wel duidelijk, zoals blijkt uit Hawkes' eigen onderzoek bij de Hazda en inmiddels uit onderzoeken bij de !Kung en in Gambia. Maar de belangrijkste aanwijzing is dat het in de dierenwereld unieke verschijnsel van de krachtige vrouw in de menopauze toch ooit nuttig moet zijn geweest in de evolutie van de mens, anders was het nooit ontstaan.

Alleen dankzij die extra hulp van de oudere generatie kon de mens volgens Hawkes ook de langstlevende maar óók de zich het snelst voortplantende hominoïde worden. In `natuurlijke' omstandigheden (bij jagers/verzamelaars) is bij de mens het gemiddelde geboorte-interval drie jaar, bij gorilla's is het vier, bij chimpansees vijf en bij orang-oetans zelfs acht. Tegelijkertijd zijn mensenkinderen veel langer afhankelijk van voedsel dat anderen hun geven. Iemand moet moeder hebben geholpen.

Volgens Hawkes was de oma er zelfs eerder dan het grote brein, die andere typisch menselijke eigenschap. ``Mijn hypothese over het ontstaan van de mens in in essentie hersenloos'', zo vertelt ze in Delmenhorst. Want het grote verschil tussen Homo erectus (vanaf ca. 1,8 miljoen jaar geleden) en zijn chimpansee-achtige voorouders was niet zozeer dat H. erectus grotere hersens had, maar überhaupt dat hij groter en zwaarder was. Daaruit leidt Hawkes af dat Homo erectus ook langer leefde. Grotere dieren leven langer. ``Het hersenvolume nam wel toe, maar grotere dieren hebben sowieso grotere hersenen. Het relatieve verschil in hersengrootte met de voorgangers stelt niet zo heel veel voor'', aldus Hawkes Mannelijke Australopitheci wogen waarschijnlijk zo'n 45 kilo (vrouwen zo'n 30 kilo). Maar Homo erectusmannen haalden waarschijnlijk gemakkelijk de zeventig kilo (vrouwen iets minder), een toename met zo'n 55 procent.Het hersenvolume steeg van 430 cc naar zo'n 750 cc, een toename van 70 procent. ``De echte groeispurt in de hersenen komt pas dik een miljoen jaar later, 500.000 jaar geleden.'' Zonder veel toename in lichaamsgrootte is de gemiddelde hersenomvang tegenwoordig zo'n 1450 cc.

Vliegwiel

Die grotere omvang, en dus het langere leven, hangt waarschijnlijk samen met een vermindering van het sterfterisico, door een verandering in de klimaat- en levensomstandigheden waardoor bijvoorbeeld roofdieren een minder groot gevaar vormden. Volgens Hawkes opende die langere levensduur van de vroege Homo erectus voor het eerst de mogelijkheid dat grootmoeders hun dochters gingen helpen bij de zorg voor de kleinkinderen. ``Krachtige vrouwen in de menopauze konden zo voor meer en gezonder nageslacht zorgen, waardoor het evolutionaire vliegwiel kon gaan draaien, met meer positieve selectie op gezonde grootmoeders. Dat mechanisme verklaart waardoor de mens langer leeft dan op grond van zijn grootte te verwachten zou zijn.'' Die grootmoederlijke hulp maakte vervolgens de weg vrij voor een langere afhankelijkheid van kinderen, een noodzakelijke voorwaarde voor een grotere hersenontwikkeling. De moderne mens is geboren, dankzij zijn oma.

De these van Hawkes is als zo vaak in de paleontologie een mogelijk verhaal – directe bewijzen voor de leefwijze van onze verre voorouders zijn uiterst schaars. ``Ik wacht op isotopenanalyse van Homo-erectusbotten'', aldus Hawkes. ``Daaruit kan blijken of ze al vroeg veel vlees aten of niet.'' Niet iedereen is overtuigd dat Hawkes' theorie ook waar zal blijken. De antropoloog Hillard Kaplan betoogde in Delmenhorst dat de levensduurverlenging en de hersengroei gezamenlijk zijn geëvolueerd, dus zonder een speciale rol voor de grootmoeder. ``Als je primaten onderling vergelijkt blijkt er een vrij hecht verband te zijn tussen de levensduur, de leeftijd waarop de eerste kinderen worden geboren èn de relatieve omvang van de neocortex. Wie langer leeft heeft meer belang bij beter leren, en wie betere hersens heeft kan weer langer leven. Enzovoorts.''

Kaplan denkt dat jacht de cruciale verandering was die dat proces bij de mens op gang zette. ``Ik ben benieuwd naar isotoopanalyse van Homo erectus-botten. Mij lijkt dat de mannen en de jacht óók belangrijk waren.'' Ook Hrdy houdt de uitkomst open. ``Het paradigma is aan het veranderen, de nauwe concentratie op de rolverdeling tussen alleen vaders en moeders is verouderd. Maar dat betekent niet dat de rol van grootmoeder nu àlles zou kunnen verklaren. Mensenmoeders met hun zo afhankelijke kinderen moeten altijd opportunistisch zijn, alle geschikte hulp is welkom. Uit een onderzoek onder de Efe-pygmeeën bleek bijvoorbeeld dat daar maar vier van de twintig kinderen een grootmoeder hadden. Daar moeten dus ook anderen beschikbaar zijn om de moeder te helpen. Twee miljoen jaar geleden zal dat niet veel anders zijn geweest.''