Grote broze Woolf

Weinig `minor works' van grote schrijvers hadden zoveel invloed als Orlando, stelt Pieter Steinz in deel 47 van de stoomcursus wereldliteratuur.

`Te lang voor een grap, te frivool voor een serieus boek' noemde Virginia Woolf haar zesde roman Orlando (1928). Desondanks, of juist daarom, werd de `mock-biography' van een onsterfelijke man-vrouw haar commercieel succesrijkste publicatie. En ook haar invloedrijkste, als we het feministische essay A Room of One's Own niet meerekenen. Orlando beleefde herdruk op herdruk, werd verfilmd en verschillende keren voor toneel bewerkt (vanavond is de première van de versie van Het Nationale Toneel met Catherine ten Bruggencate in de hoofdrol), en bleef een bron van inspiratie voor auteurs die willen spelen met de verhouding man-vrouw-maatschappij – of ze nu Jeanette Winterson heetten of Jeffrey Eugenides (gisteren geïnterviewd in Boeken).

Orlando is geen boek om in je hart te sluiten, zoals Woolfs meesterwerk Mrs Dalloway, dat als ontroerende oefening in stream of consciousness een ereplaats in de literatuurgeschiedenis verdient. Maar het is niet moeilijk om te zien wat schrijvers én lezers erin aantrekt. Woolf gaf de roman de ondertitel `een biografie' en kleedde het verhaal aan met biografische terzijdes en foto's (waarvoor onder meer haar model en geliefde Vita Sackville-West poseerde); tegelijkertijd stak ze de draak met alle conventies, door van haar hoofdpersoon een jongen te maken die vier eeuwen leeft en halverwege in een vrouw verandert. Als Lady Orlando drinkt de edelman uit de tijd van Elizabeth I thee met de 18de-eeuwers Swift en Pope, trouwt ze met een Victoriaanse ontdekkingsreizer, en wordt ze dichter in het Londen van het Interbellum. Haar liefdesaffaires beleeft ze met figuren die net zo androgyn zijn als zijzelf, wat Woolf ruim de gelegenheid geeft voor kritische uitweidingen over de verstikkende rollen die mannen en vrouwen in de samenleving spelen.

Grote geesten zijn androgyn, meende Woolf in navolging van de romantische dichter Coleridge; alleen iemand die zowel zijn mannelijke als zijn vrouwelijke eigenschappen tot zijn recht laat komen, kan werkelijk creatief zijn. Orlando was van die stelling (uit het laatste hoofdstuk van A Room of One's Own) de illustratie. En een vrolijke ook, want Orlando beleeft avonturen aan het Engelse hof en in Turks Constantinopel, bij zigeuners en literati, op het ijs van de Theems en in de klamme binnenkamers van Victoriaans Londen. Never a dull moment dus, en dat is in de `serieuze boeken' van Woolf (denk aan The Waves, dat bestaat uit door elkaar lopende monologues intérieurs) wel eens anders.

Vernieuwend is Orlando niet, al houdt Woolf vast aan haar sensitieve, nadenkende stijl, vol gedachtenstreepjes en zinnen tussen haakjes. Woolf, een bewonderaar van de modernisten Joyce en Proust, was de meester van de puntkomma en de subtiele tangconstructie – geen voorbeeld voor zakelijke journalisten, maar wel voor schrijvers die de emoties van hun personages zo precies en sierlijk mogelijk willen weergeven. In Orlando gaat het daar niet om (de schrijfster beschouwde haar pseudo-biografie als een `schrijversvakantie') en juist dat maakt de roman zo'n mooi opstapje voor Woolfs dieper gravende romans. Wie bang is voor Virginia Woolf, of liever voor de ontleding van de broze levens van haar personages, zou de komende week de Nederlandse heruitgave van Orlando (in een omnibus met Mrs Dalloway en Een kamer voor jezelf) moeten aanschaffen. Het is een van de weinige Woolf-romans waarin de hoofdpersoon zonder kleerscheuren het einde haalt.

Volgende week: `The Adventures of Huckleberry Finn' van Mark Twain.

Pieter Steinz: steinz@nrc.nl