Hollands Dagboek: Niels Gerson Lohman

De 17-jarige gymnasiast Niels Gerson Lohman verruilde deze week het Barlaeus in Amsterdam voor Auschwitz in Polen – `holohoppen noemden we het in een cynische bui'. `Auschwitz is dát wat je overhoudt als je alles rondom het leven weghaalt, de basis.'

Woensdag 30 oktober

Geen krant, geen koffie, geen tijd. Zelfs de fietstocht naar school, die ik meestal gebruik om te genieten van een ontwakend Amsterdam, bestaat uitsluitend uit een koortsachtig trappen. Mijn dag duurt voort met het onzinnig opvullen van mijn duizend tussenuren.

Iemand heeft foto's van Theresienstadt voor me meegenomen. Ik staar naar de foto van een hok, een gang en een muur. Op zichzelf afbeeldingen om warm noch koud van te worden. Maar door de kennis, relatief weinig kennis, die ik in mijn korte leven over deze plaatsen heb verworven één van de meest afschuwelijke afbeeldingen die ik in lange tijd heb gezien.

Gevangenen woonden in dít hok en velen van hen liepen hun laatste minuten door déze gang naar díe muur. Op de foto is de muur nu schoon, alsof er nooit bloed aan heeft gekleefd. Hoe langer ik kijk, hoe minder woorden ik ken. Maar ik blijf kijken. Hoe kan ik ooit iets omschrijven wat, op het moment dat ik er gedachten aan wijd, als een vacuümpomp op mijn woordenschat werkt?

De zon die de grachten domineert als een big brother van licht, de duiven die zo dom en onwetend aan mijn voeten komen bietsen en het meisje met dat verdraaid mooie achterwerk dat me passeert vertellen mij dat de nazi's hier gisteren marcheerden. Nu even niet. Ik ben dus hier en nu en dan is er altijd nog die toekomst die me altijd bezighoudt. Met andere woorden: ik moet mijn PTA's leren, het tweede-fase woord voor schoolonderzoeken. De tweede fase is een verwerpelijk idee, maar zonder het al te veel te negeren weet iedereen er toch iets werkbaars van te maken.

's Avonds staar ik met wat vrienden naar Ajax en in de rust maken we profielschetsen van hen die op één van die belachelijke nieuwe partijen zullen stemmen.

Donderdag

Vandaag sluit ik mij af voor alles wat leuk aan de dag is en richt mij op mijn schoolonderzoeken, die direct na mijn terugkomst uit Polen zijn. Nadat ik een jaar geleden de G.L. Durlacher-boeken had gelezen besloot ik dat ik de kampen zelf wilde bezoeken, want de overlevenden van de kampen zullen er niet lang meer zijn om ons hun verhaal te vertellen en het Nederlands Auschwitz Comité organiseert elk jaar de hard-core reis langs de kampen Auschwitz, Sobibor en Majdanek. De overlevenden, tweede en derde generatie zijn vertegenwoordigd in een groep van 90 mensen. Ik bedacht me dat er vast meer leerlingen zouden zijn die deze reis wilden maken, dus kon ik dankzij het Comité voor hen een paar plaatsen reserveren.

Voor wat administratieve zaken moet ik naar mijn vorige school, het Vossius. Ik zat daar vijf jaar en nu ontvang ik daar vooral watdefuckdoejehiernog-blikken, ook van een enkele docent. Ik ging daar nogal pijnlijk weg. We (de organisatie voor de buitenschoolse activiteiten) organiseerden een eindfeest. We lieten het feest een half uur langer doorgaan dan toegestaan. Aanvankelijk had de rectrix toestemming voor de Polen-reis gegeven, maar gezien het half uur uitgelopen feest zag ze geen reden meer de acht leerlingen, onder wie ik, naar Auschwitz te laten vertrekken. Uit verontwaardiging om dit en meer besloot ik om asiel bij het Barlaeus aan te vragen, waar ik met open armen ontvangen werd. Inmiddels heb ik vooral spijt, dat ik dat niet veel eerder had gedaan.

Arnon Grunberg had volledig gelijk wat het Vossius betreft: het is niks veranderd. Op het Barlaeus is een gemoedelijke happy chaos, maar op het Vossius heerst de `Ordnung muß sein'-mentaliteit toch iets te overwegend.

Vrijdag

De zorgeloze vrijdagmiddag is een vreemde middag. Ik houd deze middag altijd vrij van afspraken, opdat ik na mijn laatste lesuur de volledige vrijheid heb mijn middag groots en meeslepend door te brengen, of te verklooien. Ik laat me dan bewust verrassen door een gepland ongeplande middag. Vandaag begeef ik me eerst naar het Hok, het stam -en schaakcafé van generaties Barlaeus-leerlingen.De klok staat er een half uur voor, om te voorkomen dat de leerlingen niet te laat komen en er hangt zelfs een bordje `Barlaeus-dependance'. Thuis sta ik uren met wat vrienden achter de wheels of steel en we praten over de feesten waar we waren of die we nog moeten bezoeken. Ik heb dit weekend het rijk alleen: D., dat is mijn moeder, is afgereisd naar Marokko. 's Avonds heb ik met R. afgesproken om ons een avond als goden te wanen: we gaan aanliggen en kijken films, roken de fruittabak en eten wat de Albert Heijn, onze toegewijde slaaf, ons toedient.

Zaterdag

Vandaag weinig handelingen, vooral gedachten aan de kampen en de zaterdagnacht. Auschwitz, deze macabere plaats, kenmerkt de mens en dat is voor mij het bewijs dat god niet bestaat: de holocaust. We leren van al dit verleden, maar net zo lief vergeten we. Ik ben nog niet in Polen, maar nu ben ik al cynischer dan ik ooit ben geweest.

Dus ga ik uit. Club Risk is mijn bestemming. De mensen op de dansvloer zijn niet zo moeilijk te overtuigen dat ik daar op mijn plaats ben, maar de uitsmijters wel. Op mijn tenen sluip ik naar binnen om een nacht te dansen. Ik geloof in geen god, maar ik kan me goed voorstellen dat muziek, en muziek alleen, een godsbesef los zou kunnen peuteren. Vele dj's zijn overschat, maar sommige vertellen werkelijk een verhaal, zoals hier. Op een dansvloer kan de sfeer zo omslaan van nostalgisch, naar uitzinnig, naar grimmig.

Zondag

De productiviteit zegeviert vandaag: ik lees, schrijf en pak mijn spullen voor de reis in een uiterst morning-after tempo. Ik ben bezig met de aanvragen voor een architectuurstudie in Engeland en voor mijn portfolio werk ik aan een ontwerp voor een gebouw in de vorm van het 8-teken. Ik download wat muziek voor de reis (Itzhak Perlman, Deep Dish, Talib Kweli), kijk nog Jiskefet en slaap te laat.

Maandag

Vandaag begint alles: vandaag begint het holohoppen, zoals mijn nichtje Natascha het op een cynische avond verwoordde. Eerst blijven we een dag in Warschau. In veel opzichten nét Berlijn: volledig platgegooid en opgebouwd met megalomane moderne architectuur, maar zonder de neoclassicistische gebouwen waar ik mij zo aan stoorde. Ook uit deze stad lijkt de ziel gebombardeerd en helaas manifesteren de multinationals zich alom. Ik heb het volledig gereconstrueerde deel van de stad echter nog niet gezien, wat prachtig schijnt te zijn.

De bus stopt om een joodse begraafplaats te bezoeken. We komen binnen in de hoek van de begraafplaats en het lijkt alsof we een kubus binnengaan waarvan alleen de zijden aan de hoek van binnenkomst nabij zijn. De hoek waarin we binnenkomen is mijn enige houvast: de begraafplaats lijkt zich oneindig uit te strekken, want de overstaande zijden heb ik nooit bereikt. Mijn afmeting is verwaarloosbaar ten opzichte van de grootte van de begraafplaats. Zoveel graven, maar minstens net zoveel bomen. Ik ren zo ver mogelijk de begraafplaats op, om het einde te bereiken. De schemering (het soort schemering waarbij je het spelletje pingpong nét stop moet zetten omdat je de bal niet meer kan zien) maakt dat de grafstenen en de bomen nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Ik sta stil voor een blanco grafsteen, het opschrift is weggesleten. Voor de steen brandt een kaarsje en wappert dapper een vlaggetje van Israël. De begraafplaats is nog lang niet vol en dat is goed ook: zolang een volk begraven wordt, leeft het nog.

We staan voor een stukje muur van het joodse getto. Ik probeer me – tevergeefs, natuurlijk – voor te stellen hoe het zou zijn als een stuk muur mijn vrijheid van plaats zou beperken. De muur is slechts het begin: isolatie. Gevolgd door deportatie met stoffelijke reductie tot gevolg. Terwijl ik naar deze muur staar, besef ik wat mijn grootste angst is: om tot massa gereduceerd te worden. Maar Nietzsche zei het al: zelfs de overbodigen doen nog gewichtig over hun bestaan en zelfs de holste noot wil nog gekraakt worden: wie denk ik wel niet dat ik ben? Niet meer aan denken: nihilisme en massavernietiging zijn te gevaarlijk onlosmakelijk verbonden.

Dinsdag

De groep houdt een herdenking voor de nabestaanden van de deelnemers van de reis. Ik neem met allen alle emoties van de tentoonstellingen mee naar een klein kamertje met Hebreeuwse teksten over de eerste moord ooit gepleegd en we branden kaarsen. Namen van slachtoffers worden voorgedragen, gevolgd door een intens kaddish. Hierna wenst iedereen elkaar een lang leven toe en op een band wordt Jizkor gezongen. Ik zie het joodse volk trekken door alle landen, ze zijn nergens werkelijk welkom. Ondanks de vele pogroms en andere uitingen van intolerantie heeft dit volk zich uiteindelijk weten te verspreiden over de wereld, om vervolgens naar één punt teruggebracht te worden en te worden vernietigd, als dieren. (Zijn we dan géén dieren?! Die verdomde Darwin is heel ver te zoeken hier.) Dat punt is hier: Auschwitz. Op dit moment wordt het boeddhisme bijna van haar eerste plaats in mijn favoriete religie-ranglijst verstoten door dat onomstotelijke en zuivere jodendom.

Toch kunnen we in de bus weer praten en zelfs een beetje lachen en dat is goed.Ik spreek een man die een kamp heeft overleefd en toch een fantastisch leven heeft gehad. Ik bewonder hem en hij bewondert ons, de jongeren, omdat we iets willen weten wat zo makkelijk is om te vergeten, maar nooit vergeten moet worden. Vanavond ga ik uit in Krakow, want niets gaat boven leven.

Woensdag 6 november

Vandaag Auschwitz II: Birkenau. Veel groter dan Auschwitz I en misschien nog wel groter dan de joodse begraafplaats in Warschau. Overal manifesteert zich hetzelfde onbegrijpelijke. Ik zet een stap naar een gigantische muur van familiefoto's die de nazi's in beslag hadden genomen. Ik zie een familie die niet meer bestaat. Ik zet een stap terug en het aantal families is ontelbaar. Bij de herdenking worden bloemen gelegd en namen genoemd. Één naam raakt me, maar zodra het aantal namen zo exponentieel toeneemt, wordt het te groot en verdwijnt elk woord dat de shoah op een waardige wijze zou kunnen omschrijven.

Om de mensheid ligt de rode draad die de menselijke waardigheid afbakent. Francis Fukuyama noemde dit factor X. Elke dag zijn we bezig de rode draad subtiel, maar vaak ook bombastisch te weerleggen. Buiten factor X bevindt zich het dierenrijk, aflopend in positie in de voedselketen en aaibaarheidsgehalte. De holocaust was geniaal in zijn systematiek. Neem bijvoorbeeld de mensen die als middel werden gebruikt om aan de lopende band van de vernietigingsfabriek te werken: als je aan een lopende band werkt, is jouw bijdrage aan het eindproduct zó te verwaarlozen dat jouw schuldgevoel gemakkelijker weg te cijferen valt, en er uitstappen heeft de dood tot gevolg, maar doorwerken is nog veel vernietigender.

Waarom vernietigden de nazi's de kampen, toen ze zich realiseerden dat ze hun oorlog verloren?

Ze waren er nooit van uitgegaan dat hun superieure ras ooit zou kunnen verliezen. Het lijkt op een soort krampachtige laatste poging om het bewijsmateriaal te verdoezelen, maar een kampcommandant die zelf besluit tot zo'n handeling over te gaan bestaat niet, want geen nazi zou zo handelen zonder orders van bovenaf. Bovenaf is veel slimmer dan een nitwit van een kampcommandant en bovenaf moet zich gerealiseerd hebben dat halfslachtig een paar crematoria vernietigen niet veel uit zou halen: zoveel mensen weg en as alom, leg dat maar eens uit.

Ik kom er niet uit. Misschien waren de nazi's bang dat de geallieerden waren zoals zij en ze de nazi's, nadat ze zagen wat voor onbeschrijfelijks ze een medemens hadden aangedaan, hetzelfde lot zouden toebedelen als zij die niet tot het arische ras behoorden.

Auschwitz is dát wat je overhoudt als je alles rondom het leven weghaalt, de basis. Mensen komen, mensen werken, mensen lijden en ze sterven. Van tijd tot tijd vliegt hoop of geluk eventjes ver voorbij. Maar wat overblijft is de keiharde waarheid van het leven: komen, werken, lijden, sterven. Compact in een korte tijd. Misschien is dat te pessimistisch en is ook in Auschwitz niet de waarheid. Want iets dat zo keihard is, kan dat nog een waarheid zijn?