Vast in het zand

In een stukje Algerijnse woestijn zitten 1.300 Marokkanen gevangen. Sommigen al meer dan twintig jaar.

Ze zijn het slachtoffer van een conflict tussen Marokko en de bevrijdingsbeweging Polisario. Niemand kijkt naar ze om. De gevangenen kunnen alleen maar wachten, samen met hun cipiers.

Mohammed Belarabi heeft een map met kiekjes van het leven dat hij zou hebben geleid als de oorlog er niet geweest was: foto's van bruiloften en verjaardagen, van vrienden en familieleden die hij amper nog herkent, en van zijn vrouw, die zonder hem ouder wordt. De meeste foto's zijn van zijn dochter. Zij was nog een baby toen Belarabi, korporaal in het Marokkaanse leger, door Saharanen-opstandelingen uit zijn gepantserde raketwerper werd gesleurd en in een krijgsgevangenenkamp werd gestopt. Dat was in 1979.

Sindsdien heeft hij zijn gezin niet meer gezien.

Alleen op foto's heeft Mohammed Belarabi kunnen volgen hoe het kleine meisje opgroeide tot een forse, grote, zelfverzekerde vrouw. 'Het wordt tijd dat ze trouwt', zegt Belarabi. Soms schrijft zij. Soms schrijft hij terug. En soms, heel soms, waagt hij te hopen dat hij zijn dochter nog eens in zijn armen zal kunnen sluiten en een stukje van zijn leven zal kunnen redden.

Vanavond bijvoorbeeld. Het krijgsgevangenenkamp Hamdi Abba Sjeich ligt als een eiland van licht in de woestijn: gloeilampen en tl-buizen beschijnen de witte muren en de nauwe steegjes tussen de koepelvormige gebouwen waarin de gevangenen verblijven. Het is elf uur 's avonds, en de gevangenen zijn opgewonden. Ze staan druk te praten op de zandige appèlplaats in het hart van het kamp. Wat heeft het bericht dat zij zojuist gehoord hebben te betekenen? Het officiële radiostation heeft laten weten dat de leiders van de Saharanen overwegen eventueel een groep krijgsgevangenen vrij te laten. Meer werd er niet gezegd.

Het is als zo vaak. Geen aantallen. Geen nadere gegevens. Niets. Enkel dit kleine, irritante, opwindende bericht.

De optimisten onder de krijgsgevangenen beginnen over kameraden die vroeger zijn vrijgelaten. De pessimisten herinneren aan vroegere teleurstellingen en aan de jaren die zij in de woestijn hebben doorgebracht als gevangenen van een oorlog waarin de wapens al tien jaar zwijgen. In vier grote en een paar kleinere kampen wachten in totaal 1.361 Marokkanen tot het Saharaanse Frente Polisario hen eindelijk vrijlaat.

Ze luisteren naar de radio. Ze bestoken hun bewakers en de meerderen van hun bewakers met vragen. Ze kijken naar de bbc en de Arabische zender Al-Jazira. Ze hopen en troosten, en ze spreken iedere dag over politiek.

Over 11 september, Afghanistan, de Franse presidentsverkiezingen. Al die dingen, zo vermoeden zij, kunnen hun vrijlating dichterbij brengen, en al die dingen kunnen haar vertragen; en iedereen koestert weer een ander gerucht over wanneer de volgende vrijlating zal plaatsvinden en wie de gelukkigen zullen zijn: na de ramadan... wanneer de Italiaanse parlementsleden op bezoek komen... alleen de ouderen... alleen de zieken...

Achtduizend dagen

Mohammed Belarabi behoort tot de sceptici. Hij wil zijn emoties niet vergooien, hij wil zuinig aan doen met het beetje hoop dat hem nog rest op een heuglijk weerzien met zijn dochter. Belarabi is 54, hij heeft al bijna zijn halve leven meer dan achtduizend dagen in gevangenschap doorgebracht. In een soort openluchtwerkplaats direct naast het gevangenenkamp repareert hij de vrachtwagens die de woestijnstrijders van het Frente Polisario van Spaanse en Italiaanse solidariteitsbewegingen krijgen, met opschriften als 'Viva el Sáhara libre!' (Leve de vrije Sahara) of 'Salamanca con el Pueblo Saharaui!' (Salamanca steunt het Saharaanse volk). Hij is blij dat hij wat te doen heeft. Wanneer hij een defect chassis onder handen heeft, denkt hij niet aan gevangenschap maar aan het werk.

Mohammed Belarabi's grijze haar wordt dunner. Hij is een van de oudste gevangenen hier, en hij loopt er recht en trots bij, niet gebogen zoals anderen. Maar ook hij zegt: '23 jaar is te veel. C'est trop.' Die woorden hoor je van alle gevangenen, zowel onder elkaar als in gesprekken met buitenstaanders. C'est trop. Hun stemmen zijn moe van het wachten, van het hopen. 'Ik, 49, geen vrouw, geen kinderen, geen leven, niets', zegt een ander, die ook in 1979 gevangen werd genomen.

'Al zo veel jaren. Het is niet meer te dragen', zegt een ander in gebroken Frans. 'Ik vraag aldoor naar vrijheid. Aldoor. Aldoor. Wat heb ik met de politiek te maken? Politiek is niet voor mensen.'

Groene Mars

In de oorlog tussen Marokko en het Frente Polisario gaat het om de Westelijke Sahara: een strook land langs de Atlantische Oceaan ten zuiden van Marokko. Oorspronkelijk, in de jaren zeventig, ging de oorlog tussen de koloniale mogendheid Spanje en het Frente Polisario, het 'Volksfront voor de bevrijding van Saguía el-Hamra en Río de Oro', zoals de provincies van de Westelijke Sahara heten.

In mei 1975 maakte Spanje bekend dat het zich uit het ongeveer 270.000 vierkante kilometer grote gebied zou terugtrekken. De aanspraak die Marokko toen op het gebied maakte, werd door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag afgewezen, waarmee het zelfbeschikkingsrecht van de Saharanen werd bevestigd. Kort daarop, op 6 november 1975, liet koning Hassan II van Marokko zo'n 350.000 van zijn onderdanen de Westelijke Sahara binnenmarcheren. Die invasie, de zogenoemde 'Groene Mars', trok een streep door alle plannen om een soevereine Saharanen-staat te vestigen.

Desalniettemin proclameerde het Frente Polisario in februari 1976 een eigen staat, de 'Democratische Arabische Republiek Sahara', maar het moest zich als militair zwakkere al spoedig voor de Marokkanen terugtrekken. Ongeveer 80.000 Saharanen vluchtten naar Algerije dat het Polisario steunde waar zij asiel kregen. In hun vluchtelingenkampen in het uiterste westen van de Algerijnse woestijn zetten zij een provisorisch staatsbestel op, met ministeries, scholen en ziekenhuizen, maar zonder economie van betekenis.

De vluchtelingen zijn tot op heden afhankelijk van humanitaire en politiek gemotiveerde hulpverlening. De Verenigde Naties, ontwikkelingsorganisaties en Europese solidariteitsgroepen sturen voedsel, kleding, medicijnen en deskundigen. Cuba leidt duizenden artsen, leraren en ingenieurs op. En Algerije, dat belang heeft bij een verzwakking van zijn buurland Marokko, levert politieke en militaire steun.

Onmiddellijk na de invasie begon het Polisario een guerrillaoorlog tegen de bezetter. De strijd, die met grote verliezen gepaard ging, eindigde in 1991 met een bestand, waarbij werd overeengekomen dat de Saharanen in een referendum over de toekomst van hun land zouden beslissen.

Sindsdien is er niets van betekenis meer gebeurd. De Verenigde Naties eisen allengs minder dringend dat Marokko zich uit de bezette Westelijke Sahara terugtrekt en dat het referendum wordt gehouden. Marokko weigert, omdat het ongetwijfeld het referendum, en daarmee de Westelijke Sahara, zal verliezen.

De Saharanen wachten al 26 jaar tot ze naar hun vaderland kunnen terugkeren. En hun Marokkaanse gevangenen zijn gedoemd om met hen te wachten.

Schroot en roestig blik

De woestijn is naakt en hard, een glinsterende vlakte van vuilwit zand en kiezelgrote

stenen, bezaaid met zwart uitgeslagen conservenblikken. Van het gevangenenkamp leiden bandensporen naar het niets, maar ten slotte duiken dan toch de kampen van de

Saharaanse vluchtelingen op.

Eerst de uit schroot en roestig blik opgetrokken ruimten voor geiten en schapen, dan de tenten en lemen huizen.

De nederzettingen zijn genoemd naar plaatsen in het vaderland: Laayoun, Semara, Aousard, Dakhla. 'Je zou het echte Dakhla eens moeten zien', zegt Omar, een jonge man die in het kamp geboren is. 'De palmen daar! De zee. De Spanjaarden zijn er met tranen in de ogen weggegaan. Met tranen in de ogen.'

Alle Saharanen vertellen over dat sprookjesland, ook de jongeren, die het nooit hebben gezien. Het is hun land, het is het paradijs. Daar, zeggen zij, gaat het leven

beginnen. Daar gaan zij werken. Dag in, dag uit verzekeren zij elkaar dat zij recht hebben op een eigen land.

'Wie de hoop verliest is alles kwijt.' De

Saharanen zeggen het uitdagend en vastberaden. Zij roepen ook: 'Independencia o muerte!' onafhankelijkheid of dood. Dat is hun parool tegen de vergetelheid, tegen de ontreddering en tegen de verzoeking om gewoon maar ergens heen te gaan om een ander, beter leven te leiden.

Wie de hoop verliest is alles kwijt dat zeggen ook de Marokkaanse gevangenen. Bij hen geen grote woorden over vrijheid en opoffering, hier hoopt ieder voor zich. Er zijn er die tot op de dag nauwkeurig aangeven hoe lang zij al in het kamp leven. De datum waarop hij in gevangenschap raakte, staat menigeen scherper in het geheugen gegrift dan zijn eigen verjaardag. Zij noemen de maand en het jaar, 9-78 of 4-83, en ieder heeft er zijn eigen verhaal bij: Saharanen-guerrillastrijders overvallen een legerkamp; ze lokken een konvooi in een hinderlaag; ze blazen een pantservoertuig op.

In het legermuseum van de Saharanen liggen spullen die bij zulke overvallen zijn buitgemaakt: wapens, kanonnen, zakboekjes, identiteitsbewijzen, dagorders. In oude munitiekisten liggen foto's van jonge Marok kanen, die zich voor hun mobilisering bij

fotografen in Agadir of Marrakech als wereldveroveraars of melancholieke zonen der

woestijn hebben laten portretteren: op bordkartonnen tanks gezeten, zwaaiend met hun geweren. Marokko was groot, de koning

was groot en zij waren strijders. Tot ze in

gevangenschap raakten, en daarmee in vergetelheid.

Doodgezwegen

Marokko heeft de krijgsgevangenen lange tijd doodgezwegen, want het alternatief was impliciete erkenning van de Saharaanse staat in ballingschap. Toen het Frente Polisario in 1988 tweehonderd oude en zieke gevangenen vrijliet, weigerde Marokko zijn voormalige soldaten de toegang.

Zeven jaar lang moesten de mannen in een noodkamp verblijven voordat zij eindelijk, na intensieve bemiddeling door het Rode Kruis, naar hun vaderland mochten terugkeren.

De nieuwe vorst van Marokko, Mohammed VI, de zoon van Hassan II, heeft zich sinds 1999 intensief voor de krijgsgevangenen ingezet. Sindsdien heeft het Frente Polisario meer dan vijfhonderd Marokkanen laten gaan: vierhonderd in 2000, en in januari 2002 nog eens 115. Voor de achterblijvers zijn deze vrijlatingen tegelijk levenselixer en vergif. Iedereen hoopt, maar voor wie niet vrijkomt, is de vertwijfeling des te groter.

'De gevangenen zijn gebroken', zegt Pierre Ryter. Hij is de man van het Rode Kruis die verantwoordelijk is voor de Maghreb en de krijgsgevangenen. 'Ze zijn doodop. Psychisch lamgeslagen. Ze hebben geen energie meer.' Het Rode Kruis eist telkens weer, en steeds dringender, dat de leiding van het Frente Polisario de krijgsgevangenen vrijlaat. De Saharanen werpen tegen dat Marokko zich niet aan de afspraken van 1991 houdt en dat de internationale gemeenschap niets onderneemt om het toegezegde referendum over de toekomst van de Westelijke Sahara af te dwingen.

Deze verwijten zijn terecht. In de grondbeginselen van de Verenigde Naties is bepaald dat gekoloniseerde volkeren na het vertrek van de koloniale overheersers hun eigen staat mogen opbouwen. De vorige keer dat dat gebeurde na 26 jaar uitstel was in Oost-Timor, en ook in de Westelijke Sahara zou het moeten gebeuren.

Maar in het geval van de Saharanen nemen de vn meer en meer afstand van dit principe. Secretaris-generaal Kofi Annan en de regering van de Verenigde Staten hebben al voorgesteld om de Saharanen slechts verregaande autonomie binnen Marokko te verlenen en daar legt het Polisario zich niet bij neer. En ook al worden de rechten van de Saharanen geschonden, 'het is niet toelaatbaar', zegt Pierre Ryter, 'dat de zaak van de krijgsgevangenen afhankelijk wordt gemaakt van politieke wensen.' Hij wijst erop dat zelfs de doodsvijanden Irak en Iran kort na het einde van hun oorlog de meeste krijgsgevangenen hebben uitgewisseld.

Verloofde

Het gaat Ryter vooral om het lot van de gevangenen. Een man verlooft zich kort voordat hij naar het front vertrekt, raakt in gevangenschap, en schrijft tien jaar later een brief waarin hij zijn verloofde laat gaan. Een ander hoort dat de Marokkaanse overheid hem als gesneuveld heeft gemeld en dat zijn vrouw nu met een ander trouwt. Een derde hoort dat zijn ouders en zijn broer overleden zijn, en weet dat nu niemand meer op hem wacht.

'De Marokkanen zullen zich voor God moeten verantwoorden voor alles wat zij mijn zoon hebben aangedaan', zegt Nynie Bakai. Deze Saharaanse zit in haar eindeloos opgelapte tent in het vluchtelingenkamp Aousard en werpt de bezoekers met kleine, precieze bewegingen kussens toe, zodat zij comfortabeler kunnen zitten. Nynie Bakai is een oude vrouw. Haar zoon, een volksheld en Polisariostrijder van het eerste uur, is in 1976 door de Marokkanen gevangengenomen.

Drie jaar lang heeft zij gedacht dat hij gesneuveld was; toen kwam het bericht dat haar zoon in de gevangenis zit. 'Toen heb ik mij een steen aan het hart gebonden', zegt zij

met een dun stemmetje. Stenen gelden in de

woestijn als stut, als hulp, ook voor een al te zwaar beproefd hart.

Nynie Bakai vertelt wat Saharaanse gevangenen in Marokko te verduren hebben. De cellen zijn piepklein, de gevangenen mogen niet met elkaar spreken. Sommige bewakers zijn sadisten: in bedorven eten zitten wel eens dode kakkerlakken, of anders wel

sigarettenas, en soms ruikt de soep naar urine. Dat hebben gevangenen verteld die na jaren of decennia vrijgelaten werden. Zij hebben ook verteld over de foltering met licht, de foltering met druppels, de afranselingen. En dat zij dagenlang op een puntige paal moesten zitten, of dat hun wonden begonnen te stinken, omdat de Marokkanen ze niet

behandelden. Internationale waarnemers hebben deze beschrijvingen bevestigd: de omstandigheden in Marokkaanse gevangenissen zijn ondraaglijk.

'Toen mijn zoon werd vrijgelaten, voelde ik mij jong', zegt Nynie Bakai. Maar zij heeft hem niet teruggezien. Hij is na zijn vrijlating in het door Marokko bezette deel van de Westelijke Sahara gebleven, waar hij politiek actief is, en dus zit Nynie Bakai in haar tent en bidt dat hij haar nog eenmaal zal komen

opzoeken. Of dat zij, met alle andere Saharanen, naar haar vaderland zal kunnen terugkeren. Ze voelt zich zwak. Ze weet niet hoeveel dagen haar nog resten. 'Ik hoop vertwijfeld dat ik mijn ogen deze voldoening nog zal kunnen schenken.'

Oplossing

Toen in 1991 de wapenstilstand werd afgekondigd, bracht de hoop op een oplossing iedereen in vervoering. De Saharanen waren ervan overtuigd dat het referendum over hun toekomst ophanden was. Zij haalden de daken van de provisorische lemen keukens die zij naast hun vluchtelingententen hadden gebouwd, en knutselden uit de metalen dakplaten baules de regreso, terugkeerkoffers. Ze maakten hun eten weer klaar in de open lucht, net als vroeger, toen ze nog als nomaden rondtrokken.

Ook de Marokkaanse krijgsgevangenen leefden op. Zij maakten geen terugkeerkoffers waarom zouden ze, zij hadden niets om mee te nemen maar zij gaven een feestje, maakten gebak en noodden hun bewakers op de thee. Marokkanen en Saharanen spraken met elkaar over het referendum, en ze kregen geen ruzie. De krijgsgevangenen hielden er niet aan vast dat de Westelijke Sahara bij Marokko hoorde, en de bewakers vergaten wat het Marokkaanse leger de Saharanen had aangedaan.

De ontnuchtering kwam snel. Het referendum werd uitgesteld en nog eens uitgesteld. Ten slotte voorzagen de Saharanen hun keukens van nieuwe daken, en de Marokkaanse krijgsgevangenen vielen terug in de sleur

van alledag. 'In je slaap kom je in een ongelooflijke wereld terecht', zeg Mohammed Belarabi. 'Je bent ergens, thuis, in de hemel en dan word je wakker en je weet dat je een gevangene bent.'

Soms, als hij heel vroeg wakker wordt, gaat hij naar de kleine, lichtblauw geschilderde moskee, waar hij op het dunne tapijt neerknielt en bidt. Als God het wil, worden wij bevrijd, zegt hij. 'Wij zijn helemaal in zijn hand. Iedere dag, iedere minuut verwachten wij zijn besluit.' Dat zeggen ze allemaal. Ze spreiden hun armen uit, de Marokkaanse gevangenen zowel als de Saharaanse vluchtelingen. Ze beginnen over de politiek, over de strijd, over de macht en de onrechtvaardigheidmaar ten slotte, wanneer alles besproken is, komen zij op God en het noodlot.

'Je maakt God weleens verwijten', zegt

Abdullah Sammer, die in dezelfde koepelwoning verblijft als Mohammed Belarabi. Ook hij zit al 23 jaar gevangen. Soms somt hij op wat hij allemaal heeft doorgemaakt. Soms klaagt hij. Soms scheldt hij op de vn met hun wisselende secretarissen-generaal. En soms twijfelt hij aan Allah. 'Maar dat komt niet uit het hart, maar van de stress', zegt hij.

Het ontbijt bestaat uit koffie, brood en olijfolie. Het is bijna als thuis, alleen zet hier niet de vrouw of een dochter het eten op de grond tussen de matrassen, maar een lotgenoot, die zich erbij heeft neergelegd, die opgezwollen is van de diabetes, of die telkens weer vertelt hoe slap zij zich allemaal voelen. Ze slapen met z'n negenen in een koepelvormig gebouw van zes meter doorsnee, en ze zeggen dat ze nooit ruzie maken. Ze bezitten serviesgoed, een radio en rookwaren, en soms komt er uit Marokko een pakket met schoenen, conserven of gecondenseerde melk. Terwijl ze op de matrassen zitten te eten, praten ze over het werk en hun gezondheid en de terugkeer naar huis.

Fooi

Zoals alle Marokkaanse gevangenen leven zij onder een betrekkelijk mild regime. Ze moeten werken, maar niet overdreven hard. Ze repareren vrachtwagens, bouwen huizen, werken in de plantages en maken openbare gebouwen schoon. Hiervoor worden ze beloond met groente, eieren, kippen en zo nu en dan zelfs een fooi, zodat zij beter te eten krijgen dan heel wat Saharaanse gezinnen. Zij hebben hun eigen dokters, en in het ziekenhuis liggen zij op dezelfde afdelingen als de Saharanen. Zij kijken naar de Marokkaanse televisie en mogen vrijuit met elkaar praten. Maar zij zijn gevangenen.

Buiten blaast een bewaker op een fluitje het appèl. De mannen pakken stoelen en plastic bakken, en sjokken naar buiten, waar ze in rijen van vijf gaan zitten. De Saharanen tellen, lopen met hun vingers de lijsten langs en controleren of iedereen er is. Bruut commanderen doen zij niet, maar ze hebben het wel voor het zeggen. Wanneer ze maar

willen, kunnen zij een van de mannen uit de groep halen en hem naar een ander kamp overplaatsen, hem bevelen de latrines schoon te maken of hem vrijlaten.

De gevangenen zitten voor hun Saharaanse bewakers. Sommigen kletsen wat, anderen duiken weg in hun jas, trekken de capuchon diep over de ogen en kijken strak naar de grond, alsof zij zich door deze viermaal daags herhaalde procedure nog altijd, of altijd weer, vernederd voelen.

Zo nu en dan probeert iemand door de honderd kilometer woestijn naar Marokko te vluchten. Een paar is het gelukt, maar de meesten worden spoedig gegrepen. 'Het is normaal dat ze het proberen', zegt commandant Abdessalam Embhrek, die voor alle kampen verantwoordelijk is. 'Hun recht daartoe is internationaal vastgelegd.'

Embhrek staat erop, ons de verblijven van zijn bewakingspersoneel te laten zien. Het zijn miserabele cellen met doorzakkende

ijzeren bedden, en hoopjes schapenvellen voor het dagelijkse gebed. 'Wij hebben het niet beter dan de gevangenen', zegt hij.

Dat de Saharanen bij hun gezinnen zijn en de Marokkanen niet, is volgens hem 'normaal'. Normaal is ook dat de gevangenen geen foto's van de koning van Marokko mogen ophangen. En dat zij koken zoals het hun belieft. Voor de commandant is alles 'normaal' in deze bizarre situatie, waarin amper nog verschil bestaat tussen bewakers en gevangenen, want hier, diep in de woestijn, zijn zij allemaal gevangenen.

In de loop van de jaren is er vertrouwen gegroeid tussen de Marokkanen en de Saharanen, tussen sommigen zelfs vriendschap. Op de grote kippenboerderij, een paar kilometer buiten het kamp Hamdi Abba Sjeich, vragen de Saharanen voor ieder besluit

het advies van een van hun meest ervaren arbeiders, een grote, stevig gebouwde Marokkaan. In het bezoekershuis van Tiffarity, een godverlaten buitenpost van het Polisario, komt het Marokkaanse personeel er

als vanzelfsprekend bij zitten als de functionarissen van het Polisario thee drinken. De groente die Marokkanen verbouwen

op stukjes privé-grond in een Saharaanse oase, verkopen ze aan Saharaanse gezinnen.

'In de aderen van de Saharanen stroomt hetzelfde bloed als bij ons', zei Abdullah Sammer, en hij wijst op de aderen in zijn onderarm. Mohammed Belarabi valt hem bij, maar waarschuwt meteen dat bepaalde dingen duidelijk moeten blijven. 'Er zijn twee principes', zegt hij. 'Ten eerste: vergeet niet dat je een gevangene bent! Ten tweede:

vergeet niet dat de anderen van het Polisario zijn!'

Een paar minuten later haalt hij een foto van een jonge Saharanen uit zijn map met plaatjes. Belarabi heeft hem leren kennen toen hij zijn familie hielp bij het bouwen van hun huis. 'Een vriend', zegt hij.

Bak water

Vrijdagmiddag. De heilige weekdag van de moslim. Vandaag werkt er niemand in Hamdi Abba Sjeich. Het zandplein is leeg. Een man draagt een bak water over het plein. Het is heet en drukkend stil. Een paar vermoeide, vroeg oud geworden gevangenen zitten gehurkt in een reepje schaduw bij de poort van het kamp. In een verduisterde televisieruimte spreekt een commentator bij altijd weer dezelfde beelden van de oorlog in Palestina.

Plotseling staan er een paar slanke Saharanen op het plein. Een van hen draagt voetbalschoenen, de anderen zijn blootsvoets. Zij komen voetballen tegen een team van de krijgsgevangenen. Ze zijn jong en vitaal, wat hier een provocerend effect heeft. De voetballers schuiven elkaar aarzelend de bal toe; het is voor het eerst in vier jaar dat Saharanen tegen Marokkanen spelen. Dan stapt Mohammed Belarabi op hen af, hij zal de wedstrijd leiden. Samen met de Marokkaanse spelers zetten de jonge Saharanen de stoelen aan de kant, die als in een openluchtbioscoop voor een televisietoestel staan.

Het partijtje maakt amper emoties los, er klinken geen aanmoedigingskreten en het applaus is zwak. 'Onze mensen spelen niet graag', zegt een gevangene. 'Ze spelen omdat ze moeten.' Dan zegt hij nog '8-81', voordat hij zijn grijze capuchon over zijn hoofd trekt en zich afwendt.

De schaduwen op het zandplein worden langer, de kleuren dieper. De Marokkanen hijgen, de Saharanen maken het ene doelpunt na het andere. Wanneer iemand valt, helpt zijn tegenspeler hem weer overeind. Een keer belandt de bal tussen de koepels van de huizen en moet daar, tussen afgedankte bedden en kippenhokken, worden opgespoord. Eén keer vliegt hij hoog over de gevangenismuur; dat zou je als een metafoor kunnen opvatten, maar achter de muur ligt niet de vrijheid maar de woestijn. De Saharanen winnen met 11-4.

'Kom, we gaan thee drinken', zegt Abdullah Sammer als de wedstrijd voorbij is. Hij is buiten adem, maar hij heeft een schitterend doelpunt gemaakt. Sammer zet sterke, zoete thee. Voordat hij de glaasjes halfvol schenkt, giet hij de thee een paar keer over en weer, zodat in ieder glas een beetje schuim staat. Zo hebben de Marokkanen het van hun bewakers geleerd.

Zij weten ook wat de drie rondjes thee voor de Saharanen betekenen. Het eerste staat voor het leven. Het tweede voor de liefde. En het derde voor de dood. Mohammed Belarabi legt het anders uit. 'Voor de thee', zegt hij, 'heb je drie dingen nodig: in de eerste plaats vuur, in de tweede plaats mensen en in de derde plaats het moment waarin de tijd uitdijt.'

Soms duurt dat moment een leven lang. De mannen zwijgen, en drinken met snelle slokjes. En Abdullah Sammer voegt eraan toe: 'Het is als met het voetballen: wij zijn onze adem kwijt. Het leven is voorbij.'

Vertaling: Jaap Engelsman

Hanspeter Bundi is journalist. Hij maakte deze reportage voor het blad GEO.

Geert van Kesteren is freelance fotograaf.

    • Hanspeter Bundi