Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

De baan op met Boon

De kennis van vreemde talen loopt terug, maar het is zonde als de Jackson Pollock van het Vlaams daar de dupe van wordt. Aldus Pieter Steinz in de stoomcursus wereldliteratuur.

`Wie leest nog De Kapellekensbaan?' Onder deze noemer begon het Louis Paul Boon Genootschap vorige week een actie die de vijftigste verjaardag van Boons meesterwerk uit 1953 luister bij moet zetten. Middelbare scholieren in de Lage Landen wordt gevraagd het boek te lezen en er een recensie over te schrijven (in ruil voor `een toepasselijk Boonpresentje'). Niet de gemakkelijkste opgave, want De Kapellekensbaan, dat door Boon zelf werd gekarakteriseerd als `een plas, een zee, een chaos', is niet zomaar één dikke roman maar drie boeken door elkaar; de spelling is op zijn zachtst gezegd onconventioneel, en de Oost-Vlaamse spreektaal waarin Boon excelleert zal in elk geval de Hollandse scholieren rauw op het dak vallen. Boven de lijn Knokke-Arendonk zou het aantal reacties op het feestelijke initiatief van het Genootschap dan ook wel eens kunnen tegenvallen.

In België geldt De Kapellekensbaan (en het vervolg, Zomer te Ter-Muren) als de hoeksteen van de moderne Vlaamse literatuur; in Nederland ook, maar daar nemen slechts weinigen de moeite om het boek over Ondineke (`die geboren werd in tjaar 1800-en-zoveel') te lezen. Begrijpelijk misschien – de kennis van vreemde talen, zelfs als ze door onze buren worden gesproken, loopt terug – maar evengoed doodzonde. Als je niet kunt genieten van het overrompelende Vlaams, dan toch wel van de verscheurende verhalen die Boon door elkaar weeft: allereerst de levensloop van het ambitieuze burgermeisje Ondine, dat hogerop wil komen in de wereld, en keer op keer wordt teleurgesteld; daarnaast een herschrijving van de Reinaert de vos-legende, waarin de wolf Isengrinus als symbool voor de kleine man keer op keer vernederd wordt; en daaromheen het geploeter van de cultuurpessimist `Boontje', die van zijn vrienden (en zichzelf!) commentaar krijgt op zijn streven om de `moeizame opgang van het socialisme' te boekstaven en op zoek te gaan `naar de waarden die waarlijk tellen.'

De Kapellekensbaan, genoemd naar een landweggetje tussen Boons geboorteplaats Aalst en zijn latere woonplaats Erembodegem, is een gefragmenteerde en niet-lineaire roman; bedoeld voor de lezer die verlangt `naar de natuur die echt is, die een oerwoud is waarin hij zou kunnen verdwalen, en waarin verscheurende dieren rondwaren, en wandelaars-etende planten hun grijparmen gereed houden, opdat hij nooit meer zijn moederke zou kunnen zien.' Boons grote voorbeelden waren de modernistische romans van de Amerikaan John Dos Passos, die in de trilogie U.S.A. (1938) uit zeer verschillende elementen een beeld van Amerika in de twintigste eeuw liet oprijzen. Maar hij werd evenzeer beïnvloed door D.H. Lawrence en Louis-Ferdinand Céline, die schreven `met hart en ziel en geest en alle andere geslachtsdelen.' Van Céline leende hij zowel de woedende holderdebolderstijl als de telkens herhaalde drie puntjes die de Voyage au bout de la nuit zo'n vaart geven.

`Wie voor de duivel verstaat zich nog uit dit boek?' schrijft Boontje vertwijfeld tegen het einde van zijn roman, wanneer de verschillende verhaallijnen steeds ingewikkelder patronen op `twit papier' maken. De Jackson Pollock van de Vlaamse literatuur is te bescheiden: De Kapellekensbaan mag zwaardere kost zijn dan de romans van Boons kleine neefjes Tom Lanoye en Herman Brusselmans, met een beetje concentratie vlieg je er zó doorheen. Prijs uzelf gelukkig dat ge het Vlaams verstaat; verduitst of verfranst schiet er weinig van Ondineke over.

Volgende week: `Voyage au bout de la nuit' van Louis-Ferdinand Céline.

Pieter Steinz: steinz@nrc.nl