Waarom ik de VVD verkies boven de PvdA

Begin vorige week vroeg de VVD Ayaan Hirsi Ali of ze voor deze partij een zetel in het parlement wilde bezetten. In onderstaand stuk beschrijft Ayaan Hirsi Ali hoe ze geworsteld heeft met de vraag of ze al of niet zou blijven deelnemen aan het publieke debat, en waarom ze de sociaal-democratische PvdA heeft ingewisseld voor de liberale VVD.

Na de dreigementen die volgden op mijn uitspraken over het verband tussen de islam, de vrouw en de moeizame integratie van Nederlandse moslims, was ik genoodzaakt me terug te trekken in het buitenland. Hoe woedend het me ook maakte dat een dergelijke vlucht noodzakelijk was. Is de vrije meningsuiting niet de belangrijkste bouwsteen van onze liberale democratie?

Gelukkig hebben velen in Nederland laten blijken hoeveel waarde er aan dit fundament wordt gehecht. Bij deze wil ik dan ook dankzeggen aan allen die zich sterk maken voor dat recht in het algemeen en degenen die mij hebben gesteund in het bijzonder, en met name wil ik Paul Kalma en Ruud Koole danken, die zich fel en hartverwarmend voor mij hebben ingezet.

De vraag waar ik gedwongen werd over na te denken luidde of ik wel of niet zou blijven deelnemen aan het publieke debat over emancipatie en integratie dat momenteel in ons land woedt. Ik moet (en met mij anderen met een islamitische achtergrond) helaas nu eenmaal rekening houden met de gevaren die voortvloeien uit de haat die mijn woorden bij sommigen oproepen. Haat die tot geweld kan leiden. Dat betekent dat ik zal moeten accepteren dat ik voor lange tijd in angst moet leven. Wil ik dat?

Ik kon niet beslissen hoe ik mijn strijd verder vorm zou geven. Graag zou ik doorgaan met de participatie aan het debat en met mijn voornemens om de aandacht te blijven vestigen op vrouwen die door traditie en geloof monddood gemaakt worden. Op de gevolgen van haar onderdrukking voor haar kinderen en daarmee voor onze samenleving. Onlangs meldde ik dat nog aan de hoofdredacteur van Opzij, Ciska Dresselhuys. De Derde Feministische Golf kan wat mij betreft van start!

Maar moest ik mijn energie stoppen in het schrijven van een boek en/of stukjes in de krant ergens vanuit een schuiladres, of misschien de komende vier jaar wijden aan het schrijven van een proefschrift over vrouwenonderdrukking in een liberale samenleving, of wachten tot de storm van publiciteit was geluwd en daarna voorzichtig aan de bel trekken, en denken, denken, denken?

Er gebeurde wat anders.

Begin vorige week ontving ik een verzoek om na te denken over de vraag of ik mij beschikbaar wilde stellen voor het belangrijkste podium waarop ik voor de goede zaak kan strijden, het parlement. Dat verzoek kwam van de partij die de drager is van de liberale traditie in ons land, de VVD.

Ik realiseerde me dat ik hiermee de kans zou krijgen de thema's van mishandelde allochtone vrouwen die moeten onderduiken in blijf-van-mijn-lijfhuizen, evenals dat van de sociaal-culturele factoren die aan haar onderwerping ten grondslag liggen, uit het hulpverleningscircuit en de discussiehuizen te tillen, en rechtstreeks op de politieke agenda te plaatsen – waar ze immers thuishoren.

En eigenlijk gaat dat over de fundamenten van onze rechtsstaat, dus over de vragen in welk land wij willen leven en over de kwaliteit van ons aller bestaan.

Dat verzoek overviel mij. Er zijn twee antwoorden mogelijk: ja of nee. En elk van de twee heeft zware consequenties.

Wanneer ik `ja' zou zeggen, betekende dit uiteraard (buiten de fysieke gevaren van een publiek leven) dat ik onmiddellijk de Partij van de Arbeid zou moeten verlaten. Verwijten van deloyaliteit en opportunisme liggen dan al snel voor de hand, temeer omdat de PvdA zich in een moeilijke fase bevindt. Deze partij heeft meer dan ooit kritische en betrokken mensen nodig. En waarom, zullen mensen zich terecht afvragen, kun je niet voor de goede zaak strijden bínnen de PvdA?

Een `nee' was echter minstens even ingrijpend. Met het afslaan van een zetel in de Tweede Kamer zou ik mensen die mijn inzet nodig hebben wel eens ernstig tekort kunnen doen.

Denk aan de jonge vrouwen die ernstig bedreigd worden door hun families wanneer ze een poging doen om uit te gaan, verliefd te worden, op kamers te willen gaan wonen. Denk aan al die gedwongen huwelijken en het feit dat ze gemiddeld na twee jaar mislukken. Denk aan de kinderen die daaruit worden geboren en die in een onveilige omgeving moeten opgroeien, meestal met één ouder. Denk aan de vrouwen die zo mishandeld worden dat ze daaraan overlijden of de rest van hun leven in angst en psychische nood moeten doorbrengen. Denk aan de verwoestende effecten van een opvoeding uitsluitend gebaseerd op een traditie en geloof die de eer van de groep hoog en boven het welzijn van het individu stellen, met soms fatale gevolgen. Het laatste trieste voorbeeld is het afschuwelijke drama in Venlo.

Denk ook aan de steeds toenemende spanningen tussen (moslim)migranten en autochtonen en de mogelijkheid dat dat wederzijdse onbehagen tot zeer onaangename confrontaties kan leiden.

De plannen van de Verenigde Staten om een oorlog tegen Irak te voeren, kunnen op zijn minst een indirecte betrokkenheid van Nederland teweegbrengen. Een voorproefje van de heftige reacties van zowel moslims als niet-moslims in Nederland op een dergelijke internationale gebeurtenis hebben we meegemaakt in de maanden na 11 september van het afgelopen jaar. De kans dat dergelijke acties een confrontatie tussen bevolkingsgroepen uitlokken is reëel aanwezig.

Kortom, een `nee' zou betekenen dat ik de kans zou laten lopen om de uiterst gevoelige maar mijns inziens cruciale sociaal-culturele oorzaken van dit alles te introduceren in de Tweede Kamer, waar de thema's allang hadden moeten liggen.

In de keuze tussen een `ja' en een `nee' en het belang van de Partij van de Arbeid heb ik de volgende afwegingen gemaakt.

Ik besef dat opportunisme in ons land een negatieve klank heeft en mensen doet twijfelen aan de integriteit en oprechtheid van degene die van partij of groep verandert.

Met passie en verstand heb ik de bovenstaande zaken verdedigd binnen de huidige Partij van de Arbeid. Echter, er was ruimte noch steun voor het onderwerp binnen de fractie om constructieve kritiek te leveren op de negatieve gevolgen van sommige sociaal-culturele kenmerken van migranten voor zowel de dragers ervan als voor onze samenleving. De PvdA heeft deze zaak veel te eenzijdig (met het verschaffen van voorzieningen en met bezweringsformules) aangepakt. Zelfs toen de spanningen tussen de bevolkingsgroepen hoog opliepen is de strategie van deze PvdA er een van zwijgen en het ontwijken van lastige vraagstukken geweest.

Jarenlang is het bespreekbaar maken van bepaalde onderwerpen tot taboe verklaard en werden de brengers van de `slechte' boodschappen in een hoek gezet: `je bent rechts' of `je haat ons'.

Ik weet dat uit eigen ervaring. Daarom vind ik het nieuwe verkiezingsmanifest van de PvdA – als plotselinge omslag naar een harde aanpak – niet geloofwaardig.

Mijn kritiek op de wijze waarop de PvdA met het integratievraagstuk omgaat, heb ik (en samen met mij andere zeer betrokken partijleden zoals Arie van der Zwan en Paul Scheffer) niet onder stoelen of banken gestoken. Zowel de uitgangspunten als de uitkomsten van de door de PvdA gekozen richting in het integratievraagstuk acht ik allesbehalve sociaal-democratisch.

De Partij van de Arbeid heeft momenteel veel problemen: een ideologische crisis, een leiderschapscrisis en een reeks van mensen in de fractie die bij mij de indruk wekken dat ze alle energie en richting kwijt zijn.

Rondom het integratiethema valt in de komende jaren niet veel te verwachten aangezien de partij min of meer gegijzeld is door aanhangers van het multiculturalisme enerzijds en moslimconservatieven anderzijds. Beide stromingen wijzen kritiek op sociaal-culturele kenmerken van migranten met veel kracht (en binnen de Partij van de Arbeid met veel succes) af. Beide stromingen zien het individu over het hoofd, en op gelegenheidspraatjes na lijken in elk geval de moslimconservatieven voorstanders te zijn van een aantal vrouw-onderdrukkende gewoonten en gebruiken.

De aanhangers van het multiculturalisme lijken dit stilzwijgend goed te keuren. Als ze vrouwenonderdrukking afkeuren dan is dat nergens te merken. Zowel de aanhangers van het multiculturalisme als de moslimconservatieven bepleiten integratie met behoud van de eigen identiteit (met veel subsidies voor afzonderlijke scholen, wijken, verenigingen, enz.) en veroorzaken daardoor een onvermijdelijke segregatie. Beide zienswijzen hebben weinig op met de realiteit, getuige de regelmatig terugkerende ontkenningen van de uitkomsten van hun inspanningen: het gaat goed op moslimscholen, het gaat goed met met de integratie, de islam is alleen maar vrouwvriendelijk, enz.

Zo bezien is deze partij losgeraakt van de eigen beginselen. Meermalen heb ik hier in de korte tijd dat ik voor het wetenschappelijke bureau van de PvdA werkte, binnenskamers en in de publiciteit, op gewezen. Echter: mijn kritiek, evenals die van andere constructieve critici, lijkt eerder tot meer onzekerheid en verwarring te leiden dan tot een geloofwaardige koerswijziging van de partij. Pas als de partij gered wordt uit de wurggreep waarin de multiculti's en de moslimconservatieven haar vasthouden, kan de PvdA mijns inziens een zinnige bijdrage leveren aan het integratievraagstuk.

Ik wil mij consequent blijven inzetten in de strijd voor de emancipatie van (moslim)vrouwen en het streven om het individu dat toevallig in een groepscultuur is geboren te veranderen in een vrije en verantwoordelijke burger. Dit streven raakt het hart, de beginselen,van een liberale partij voor wie life, liberty and the pursuit of happiness verkregen uit eerlijke arbeid het richtsnoer is. Een partij die de universele rechten van de mens onvervreemdbaar en onaantastbaar acht.

Derhalve betekent een `ja' op het verzoek van de liberalen om mij beschikbaar te stellen een keuze tussen het partijbelang zoals de PvdA dat heeft uitgedragen, en het belang van `de monddode vrouw' voor wie ik wil vechten.

Ik heb mij natuurlijk afgevraagd of de VVD met overtuiging deze thema's is toegedaan en voldoende ruimte zou bieden om alle zaken, hoe gevoelig die ook liggen, bij de naam te noemen. Het antwoord is: ja. Het benoemen van problemen en maatschappelijke verschijnselen is onmisbaar in een samenleving waarbij beleid het resultaat is van een politiek debat waarin taboes geen plaats hebben. Ik heb mij ervan verzekerd dat de VVD zich verre zou houden van het simplisme dat zo vaak optreedt bij zeer complexe zaken in het integratievraagstuk. Een voorbeeld van dit simplisme is de opvatting van de demissionaire minister Nawijn om sommige Nederlandse staatsburgers die de verkeerde kant opgaan naar Marokko uit te zetten.

De Nederlandse samenleving is rijp voor een echt begin van emancipatie en integratie. De ontwikkelingen in de internationale arena maken ons open land, dat sterk afhankelijk is van handel met andere landen, uitermate gevoelig voor talloze externe factoren die buiten onze grenzen ontstaan. De uitbreiding van Europa naar het Oosten is (bijna) een feit.

De antwoorden van de VVD op mijn vragen hoe zij deze politieke onderwerpen wil aanpakken, hebben mij voldoende vertrouwen gegeven om op de vraag of ik mij voor de VVD als kandidaat ter beschikking wilde stellen positief te antwoorden.

Ayaan Hirsi Ali is politicologe.