Nederlandse identiteit is onherkenbaar

Het begrip nationale identiteit suggereert eenheid en maateenheid. In werkelijkheid is het een deelidentiteit die op afroep beschikbaar is en als een paspoort getoond kan worden, meent Paul Schnabel.

De laatste tijd worden pogingen gedaan de Nederlandse identiteit te vernieuwen. Dat is niet zo gemakkelijk, omdat het dan om kenmerken gaat die ons nauwelijks meer van de naties om ons heen onderscheiden. Multiculturaliteit en individualisering, hoge welvaart en lage kerkelijke en politieke betrokkenheid, een diensteneconomie en een hoog opgeleide bevolking, grote trouw aan principes als gelijkheid, democratie en verdelende rechtvaardigheid – de landen van de Europese Unie lijken in al deze opzichten al erg op elkaar en dat zal in de komende jaren nog sterker het geval worden. Weliswaar is de kleuring en accentuering van land tot land nog verschillend, maar dat heeft nu juist weer te maken met de verschillen in geschiedenis en cultuur, kortom met de identiteitsvorming in het verleden.

Het is niet zo dat de nationale identiteit daarom nu plaatsmaakt voor een Europese identiteit. Dat is nog een heel abstract concept, en bovendien nog volledig van gevoel verstoken. Als deelidentiteit zal de Europese identiteit zich wel ontwikkelen, maar onze emotie lijkt toch eerder verbonden met de lokale, regionale en ook de nationale identiteit.

Bij internationale sportwedstrijden en nationale manifestaties onderscheidt men zich door de nationale kleuren letterlijk op het lijf te dragen (in de kleding zelf is er steeds minder verschil tussen de naties en zelfs tussen de generaties). In het geval van Nederland is het dan interessant om te zien hoe in relatief korte tijd de kleur oranje dominant is geworden. De driekleur wordt sterk als de vlag van de staat gezien en het oranje is de kleur van de natie of zelfs van het volk geworden. Het symboliseert de eenheid van Neerlands' stam, al is die allang niet meer `van vreemde smetten vrij'. De kleur onderscheidt de club en symboliseert de eenheid. Dat is een machtig gevoel.

Nationale identiteit is een concept met een basis die in de loop der dingen en in het gevoel van de mensen ligt. De geschiedenis verklaart waarom sprekers van dezelfde taal staatkundig verdeeld en gevoelsmatig verschillend konden worden. Het is een illusie geweest te denken dat de Nederlanders en de Vlamingen, inclusief liefst nog de Noord-Fransen, samen één natie en één staat zouden willen zijn. Tegelijkertijd is het wel gelukt het nauwelijks `Nederlandse' gebied van Limburg tot een integraal deel van staat, natie en volk te maken. Het heeft lang geduurd en het is heel geleidelijk gegaan, maar het is wel gebeurd.

Hoe irrationeel en rationeel tegelijk het proces van het ontstaan van een nationale identiteit kan zijn, blijkt wel uit de ontwikkelingen op Oost-Timor. Daar wonen dezelfde mensen als op de rest van het eiland en in de gebieden eromheen, maar bijna 500 jaar koloniale geschiedenis heeft de Oost-Timorezen wat betreft godsdienst, taal en samenleving zo anders en eigen gemaakt, dat zelfs van een afzonderlijke natie kan worden gesproken.

In de Bondsrepubliek Duitsland heeft men het heel moeilijk gehad bij het opbouwen van een nieuwe en positief getoonzette nationale identiteit. Tegelijkertijd heeft men ook geprobeerd bij de bevolking een mate van betrokkenheid bij de eigen deelstaat te laten ontstaan, die ook emotioneel betekenis heeft. Dat is gemakkelijk gelukt in deelstaten als Beieren en Saksen, beide oude koninkrijken, en in de al even oude vrije Hanzesteden Hamburg en Bremen, maar het ligt toch moeilijker als het om historieloze eenheden als Nedersaksen of Noordrijn-West gaat. Toch groeit ook daar, hevig gesteund door de overheid, wel iets van een regionale identiteit. Tegenover deze in positieve termen beoordeelde en veilig bestuurde identiteitsvorming staat als negatief schrikbeeld de gepolariseerde identiteit van `Ossies' en `Wessies', een gevaarlijk overblijfsel van een politieke scheiding die uiteindelijk nog geen halve eeuw heeft geduurd.

Koningin Wilhelmina raakte er pas in de Tweede Wereldoorlog van overtuigd dat de grote katholieke minderheid van haar onderdanen uit `echte' Nederlanders bestond en niet uit `ultramontaans' georiënteerde roomsen, die de paus als een staatshoofd van hogere orde beschouwden. De vereenzelviging van natie en koningshuis kreeg omgekeerd ook pas door de Tweede Wereldoorlog haar beslag. Hoe belangrijk de symbolische waarde van de nationale identiteit wordt gevonden, blijkt wel uit het feit dat de wat afkomst betreft toch nauwelijks als Nederlanders te beschouwen leden van de koninklijke familie juist als voorbeeld-Nederlanders bij uitstek worden gezien. Dat er ook geen sprake is van een afstamming in rechte lijn van Willem van Oranje, die zelf bij zijn dood nog in het Frans om medelijden met zijn Nederlandse volk vroeg, weet `iedereen' wel, maar het doet er niet toe. De feiten van de geschiedenis staan de werkelijkheid van het nationale verhaal niet in de weg.

Is de nationale identiteit schatplichtig aan de natuurlijke en gebouwde omgeving? De unieke kenmerken van vooral het Hollandse landschap met zijn ingewikkelde waterhuishouding worden vrij vanzelfsprekend mede verantwoordelijk gehouden voor wat ook weer unieke karaktertrekken van de Nederlandse bevolking lijken te zijn. In het idee van het `poldermodel' heeft het zelfs nog een moderne sociaal-economische vertaling gevonden, die internationaal ook de betekenis van modelpolder heeft gekregen. Inmiddels heeft het poldermodel veel van zijn aantrekkelijkheid verloren, maar de neiging tot het voeren van overleg, het zoeken naar consensus en het vinden van een evenwicht tussen eigenbelang en algemeen welzijn zullen het beeld van economie, bestuur en samenleving blijven bepalen. Wanneer daar twijfels over ontstaan, ontwikkelt zich spontaan een bezweringsritueel om de boze krachten van de polarisering en de tweedracht zo snel mogelijk uit te bannen.

Historisch gesproken is er weinig reden om aan de beheersing van de natuur een zo determinerende invloed op het nationale karakter toe te schrijven, al zoekt de nationale identiteit ook daarin graag een belangrijk deel van haar eigenheid. Buitenlanders op bezoek in Nederland bevestigen ons ook van harte daarin, en zo is het een deel van het geloof van de Nederlander in zichzelf geworden. Anders gezegd, het verhaal van de polders en van een land dat onder grote gezamenlijke en in essentie democratische inspanning aan het water onttrokken is, werd ook ons nationale verhaal.

Zo zien we ook onze oude binnensteden als een uitdrukking van een diepgewortelde mentaliteit van bescheidenheid en gelijkheid. Vreemd eigenlijk, als je bedenkt dat het Amsterdamse stadhuis door een Franse koning onmiddellijk als het paleis werd herkend, wat het naar zijn allure ook is. Zo is de Amsterdamse grachtengordel een voorloper van de `royal crescent' in Bath en van de aristocratische gevelwanden van Parijs, Londen en Wenen.

Daar was altijd meer aan monumentaliteit, maar het streven was er hier ook. De Oranjes hadden het Binnenhof graag in een soort Nederlands Louvre herschapen; gebrek aan middelen en aan medewerking van de Staten Generaal dwong hen echter elders op kleinere schaal hun monarchale en dynastieke ambities vorm te geven.

Nu lijkt het of die kleine schaal van onze paleizen niet uit nood geboren werd, maar een eigen keuze was, die uit een in de grond typisch Nederlandse karaktertrek voortkwam. Dat was niet zo, maar het is zelfs de vraag of de veelbezongen verbinding van nuchterheid, bescheidenheid en gewoonheid wel een Nederlandse karaktertrek genoemd mag worden. De golven van heftige, nationaal gedeelde emoties drijven hun schuim steeds hoger op het vlakke strand van de veelbezongen Hollandse nuchterheid. Van bescheidenheid is niet veel meer te merken, als geld en gelegenheid voldoende ruimte voor vertoon van pracht en praal bieden. Iedere keer ook weer blijkt hoe gemakkelijk Nederlanders verleid kunnen worden door de charmes van politici en artiesten die van hun niet-gewoon zijn hun handelsmerk hebben gemaakt.

Het kan zijn dat de nationale identiteit met het landschap mee is veranderd. Het Nederlandse landschap is in enkele generaties dramatisch veranderd. Het traditionele beeld van de groene vlakten en de lege einders is veranderd in een wereld van veel meer hoogopgaand groen, hoge gebouwen, uitgestrekte nederzettingen en drukke wegen. De esthetiek van mobiliteit is de beleving van de omgeving gaan bepalen en heeft tegelijkertijd het beeld van het leven en van onszelf een nieuw soort dynamiek gegeven. De oude Nederlandse waarden worden nu in de vakantie elders als contrapunt gezocht onder de noemer van eenvoud, eerlijkheid, echtheid en rust.

Het begrip nationale identiteit suggereert eenheid en maateenheid. In werkelijkheid is het een deelidentiteit, die op afroep beschikbaar is en als een paspoort getoond kan worden. Mensen ontlenen hun identiteit in de directe, dagelijkse zin vaak meer aan een levensstijl en een muziekvoorkeur, die hen met anderen over de hele wereld verbindt. Beroep en bedrijf zijn traditionele kaders van identiteitsvorming, maar die zijn ook internationaler van karakter geworden. Zelfs bedrijven die onaantastbaar leken als symbolen van nationale trots – Fokker, Philips, KLM om er een paar te noemen – zijn verdwenen in internationale conglomeraten, op zoek naar een sterke internationale partner of zijn zich juist minder nationaal gaan presenteren.

In de laatste decennia hebben we wel een nieuwe identiteitsvorming gezien rond thema's als ras, sekse, seksuele voorkeur, maar zijn we ook getuige geweest van een verlies aan identiteitsbepalende werking van de godsdienst, om nu toch weer verrast te worden door de sterke identificatie van moslims met de opvattingen en waarden van hun godsdienst. De Europese eenwording heeft nog weinig identiteitsvormende kracht, maar de regionale identiteit is juist weer sterker geworden. Het beeld is gefragmenteerder geworden en tegelijkertijd ook meer bepaald door persoonlijke keuzes: mensen ontdoen zich weliswaar niet gemakkelijk van de hun meegegeven en toegewezen identiteit, maar voegen er wel bestanddelen van eigen voorkeur aan toe. Dat kan heel ver gaan.

Over de toekomst van de nationale identiteit is maar weinig met zekerheid te zeggen. Er is zeker sprake van een verhoging van de emotionele lading van de nationale identiteit bij een gelijktijdige verlaging van de mate van identificatie met de staat. Het is meer een volksgevoel van saamhorigheid en solidariteit in onderscheid van andere volkeren – en ook vooral in ontmoeting met hen relevant – dan een uitdrukking van een bijzondere positie of zelfs roeping in de geschiedenis en de wereld. Het eigene en hopelijk ook het aardige is belangrijker dan het bijzondere en het unieke.

De nationale identiteit is niet meer de uitdrukking van nationale grootheid, maar van gebondenheid aan een grondgebied, een geschiedenis en een taal. Het gaat om een gevoel van gemeenschap en soms zelfs niet meer dan de gemeenschappelijkheid van een moment of gebeurtenis. De algemeen geworden mogelijkheid van mobiliteit en de algemene aanwezigheid en beschikbaarheid van massamedia kunnen in de kortst mogelijke tijd een acuut gevoel van gemeenschappelijkheid tot stand brengen. Dat is nooit eerder in de geschiedenis mogelijk geweest. De werkelijke draagwijdte van deze technische en economische veranderingen beginnen we pas nu te beseffen, al betekent dat niet dat we door de ervaringen ook wijs zullen worden.

Paul Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Bovenstaande tekst is een fragment uit het essay dat hij schreef voor de bundel `Wat is Nederlands nog in dit land', die vanavond wordt gepresenteerd ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van het Nationaal Archief in Den Haag.