Lekker een dagje de stad uit op z'n Japans

Een vakantie in Europa brengt een inwoner van Tokio op verkeerde ideeën over vrijetijdsbesteding.

Afgelopen zomer brachten wij een deel van onze vakantie door met een huurauto langs Franse wegen. Vanuit Parijs reden we in een mum van tijd naar het heerlijke platteland waar ook in het hoogseizoen nog wel kamers waren te vinden in kleine hotelletjes, bestierd door vriendelijke oude dames.

Nadat ik een reeks weekeinden aan werk had moeten besteden, sloeg het me afgelopen weekend weer in de bol. ,,Laten we een auto huren en ergens berglucht gaan opsnuiven'', zei ik enthousiast tegen mijn vrouw.

,,Denk alsjeblieft niet dat het hier net zo zal zijn als in Frankrijk'', waarschuwde ze nog, maar ik wilde niet luisteren. Op zaterdagavond wist ik nog ergens een huurauto te regelen voor de volgende ochtend. We zouden naar een mooi wandelgebied in het noorden van de bergprovincie Nagano gaan, een reis van zo'n tweehonderd kilometer, grotendeels af te leggen via de snelweg.

Om te beginnen stapten we om half acht in de trein om in de voorstad Omiya, 25 kilometer naar het noorden, de huurauto op te pikken. Ook al wonen we al aan de noordrand van het centrum van Tokio, de reis van 25 kilometer naar Omiya gaat door een eindeloze huizenzee. Tegen negenen draaiden we de snelweg op richting Nagano.

Vlak voordat we zover waren, had mijn vrouw al opgemerkt: ,,Kijk, het verkeer staat stil.'' Ik liet mij niet van de wijs brengen. `We zijn al een eind van het centrum vandaan dus dat zal wel snel ten einde komen', dacht ik. Twintig kilometer lang was de file. Bij de bergpas op de grens met de provincie Nagano stond nogmaals een file van zo'n tien kilometer. Vermoeid stopten we ruim na twaalven op de eerste parkeerplaats op de hoogvlakte van Nagano. Inclusief de treinreis hadden we in vijf uur tijd 150 kilometer afgelegd. Een beetje sportfietser gaat harder.

Het idee van `stad', een stad waar je `in' en `uit' gaat, is niet van toepassing op Tokio. Ook al telt Tokio zelf al twaalf miljoen inwoners, de stad is eigenlijk niet meer dan de kern van een eindeloze, amorfe agglomeratie die zich als een gigantische amoebe uitspreidt over vier provincies. Wie de trein neemt van de stad Chiba ten oosten van Tokio naar de westelijke voorstad Hachioji doet er een uur en veertig minuten over en ziet over een afstand van ruim tachtig kilometer alleen huizen. Dezelfde afstand, met exact hetzelfde uitzicht, is in noord-zuid richting af te leggen. De vier provincies die deze agglomeratie herbergen hebben gezamenlijk een bevolking van 33 miljoen inwoners. Om andere delen van Japan te bereiken, hebben de inwoners vijf snelwegen tot hun beschikking, precies evenveel als de inwoners van Amsterdam om hun stad te verlaten.

Op onze parkeerplaats in Nagano dronken we tamelijk gedesillusioneerd een kop koffie. De lucht was strakblauw en de temperatuur aangenaam. Heerlijk herfstweer voor een wandeling in het gebied dat we op het oog hadden gehad. We besloten ons einddoel te laten voor wat het was en via kleine wegen door de bergen langzaamaan alvast de terugreis aan te vangen. Bij één bergpas op de grens tussen Nagano en de vlakte van Tokio stond op de kaart expliciet `slechte weg' en de Japanners kennende zou daar vast niet veel verkeer zijn. Bovendien gaf de kaart enkele bezienswaardigheden aan langs de route, dus wellicht zou het nog wat worden.

We kwamen al snel uit bij een vrijwel verlaten tempel tegen een berghelling, gewijd aan een heer die het gebied ooit open had gelegd. Een deel van de houten bouwwerken dateerde nog uit de 15de eeuw en achter op de helling lagen zelfs twee herstelde grafheuvels uit de zevende eeuw. Een slang ritselde door het gemaaide gras, sprinkhanen sprongen opzij en eindeloos veel libelles baadden in het zonlicht. Een perfecte plaats voor een picknick met wat koude rijstballen en ingezouten groenten van de lokale kruidenier. Het bakje met in sojasaus gebakken sprinkhanen lieten we maar in de rekken liggen.

Via bergweggetjes, met af en toe spectaculair natuurschoon, daalden we langzaam af richting de vlakte van Tokio. Tegen vijf uur kwamen we weer bij de bewoonde wereld en hoorden we op de radio al weer over files van 27 kilometer lengte op de snelwegen, nu richting de hoofdstad. Onze route leek een juiste keuze. Tot we werkelijk de bewoonde wereld bereikten. In het stadje Chichibu liepen we opeens vast. Zo vast zat het verkeer, op een zo smalle weg, dat motorrijders besloten over het trottoir te gaan lopen. We hebben ze nooit meer gezien, want met de auto hadden we anderhalf uur nodig om een afstand van vier kilometer door het centrum van het stadje af te leggen.

Na onderweg nog ergens te hebben gegeten kwamen we tegen middernacht thuis. De hele dag waren we onderweg geweest. Waarom? Eigenlijk alleen om bij een verlaten tempel een uurtje te kunnen picknicken. Ik ben heropgevoed. Nimmer meer zal ik vanuit Tokio in het weekeinde met een auto op pad gaan.

Rest de vraag hoe dan een volgende keer uit het beklemmende korset van Tokio te ontsnappen. Met duizenden gezamenlijk in de trein? Dat betekent ook met duizenden gezamenlijk weer uit de trein bij het bereiken van het eindpunt, en moeite om daar alsnog een rustig plekje te bereiken. Ver weg en er meteen een aantal overnachtingen aan vast knopen is een oplossing, maar wel een dure gezien het Japanse prijsniveau. Ooit kwam ik op het vliegveld van Ho Chi Minh City, in spotgoedkoop Vietnam, een Japanner tegen die daar slechts voor een lang weekend naar toe was gevlogen. Ik keek hem destijds verbaasd aan, nu denk ik dat hij wellicht de beste oplossing had gevonden voor een `betaalbaar' weekendje uit.