KOST EN INWONING

Definities van poëzie lijden vaak schipbreuk. Wie meent dat een goed gedicht moet troosten zal snel op een even goed of zelfs beter gedicht stoten dat hem alle troost ontneemt. Iemand die bij hoog en laag zweert dat een gedicht ons de edelste essentie dient voor te toveren zal men eenvoudig een gedicht kunnen aanwijzen dat subliem werkt door zijn platheid.

Zelfs bij een bloedserieus onderwerp als de dood kunnen we op dichters geen staat maken. Poëzie is vrij en waaiert alle kanten uit. We stoten op de aangrijpende kreet van Constantijn Huygens bij de dood van zijn Sterre

Droom ik, en is het nacht, of ís mijn Ster verdwenen?

Ik waak, en 't is hoog dag, en zie mijn Sterre niet

en we stoten op de laconieke conclusie van Bart Chabot, in een gedicht over zijn moeder die al weer een paar jaar dood blijkt

maar

we hebben d'r

op video

enfin, poëzie ontsnapt aan elke indeling tussen hoog en laag, tussen zin en onzin, tussen balsem en doodschop.

Je hebt dichters als Faverey en Ouwens die het nogal voorspelbare onderzoeksnummer van volgzame studenten zijn geworden en dichters als Rawie en Deelder die met tinkelende ogen worden gereciteerd door slagersjongens op de fiets. Het is ook mogelijk Faverey te beschouwen als een onderschatte humorist en Rawie als een schepper van structuren die rijp zijn voor de wetenschap. Minnaars van het Sterre-gedicht van Huygens kunnen Chabot een gebrek aan ernst verwijten, Chabot-fans zullen bij Huygens een antenne voor sarcasme missen dat ze beiden een geslaagd gedicht hebben geschreven zal geen lezer ontkennen.

Is het wel nodig poëzie te definiëren? De beste benadering is misschien een onophoudelijk groeiende verwondering over wat allemaal onder de noemer poëzie kan vallen. Er bestaan schemergebieden, overgangen, contrasten, extremen die elkaar raken, net als bij de regenboog, en al deze facetten maken deel uit van een voortvluchtige, ons ontsnappende definitie. Nét als we een beetje denken te begrijpen waar het om gaat in de poëzie, komt er een gedicht om de hoek kijken dat ons begrip op losse schroeven zet. Ik weet zeker dat er een definitie moet bestaan van poëzie, maar ik weet ook zeker dat die definitie morgen zal worden uitgevonden.

Intussen zal de neiging een poëziedefinitie eerder aan de inhoud of strekking dan aan klanken op te hangen wel onuitroeibaar blijven. Dat een dichtregel troost of opwindt zal men met groter regelmaat blijven vernemen dan dat een dichtregel het effect sorteert van een zeurende viool of een dubbele paukenslag.

Toch zal het hoofdbestanddeel van een toekomstige poëziedefinitie ongetwijfeld luiden dat de inhoud van een gedicht volstrekt onbelangrijk is. Betekenis is een bijkomstigheid. Misschien dat er in zo'n definitie nog een klein plekje overblijft voor beelden en ideeën. Als een zusterlijke hommage aan de kunst en de filosofie. Poëzie kan het ook zonder diepe gedachten stellen.

Ontkenning van ideeën, ontkenning van elementaire behoeften, ontkenning van abstracties, ontkenning van drijfveren, ontkenning van exacte voorwerpen, dat alles zit in het gedicht van Jules Deelder, ja, in de slotregels

Geen klote.

Geen donder.

Geen reet

horen we zelfs de ontkenning van de ontkenning. Door het smalle aanzien, twee woorden per regel, lijkt de poëzie zelf ontkend te worden. Van de dichter is weinig overgebleven.

Er zijn allerlei poëzieopvattingen in omloop en ik moet me sterk vergissen of een gedicht als dit past in niet één van die opvattingen. Wie al een poëziedefinitie hanteert zal die definitie vermoedelijk niet kunnen rijmen met deze twaalf regels van negatie. De handboeken dienen herschreven te worden. Dit ritmisch gebonk moet een gedicht betekenen?

Het is zelfs een bijzonder gedicht.

Er wordt niet aan zingeving of hogere samenhang gedaan, er wordt niets in beweging gebracht, er heerst geen maatschappelijke betrokkenheid, de raadsels blijven uit, er is gewoon niks. Parmantig dringt zich in elke regel het woordje geen naar voren.

Toch gaat het om een specifiek individu, een specifiek gemis, een specifieke stemming (`blues') en een specifieke dag. De wereld is in elkaar gestort en het gedicht kan niet strakker. We krijgen het achteloos en zonder dat we er erg in hebben toegeworpen. Blues on Tuesday is een pleidooi voor de vrijheid van de dichter.

    • Gerrit Komrij