Justitie mag zaak tegen AH-duo niet seponeren

Een trap kan objectief anders worden beoordeeld dan is bedoeld door degene die hem heeft uitgedeeld. Het is dan aan justitie om de graad van aannemelijkheid en excuseerbaarheid ervan nader te beoordelen, meent J.C. Kelk.

De `rotschop' die de minister van Binnenlandse Zaken zegt in petto te hebben gehad ware hij zelf bij de fatale geweldpleging in Venlo aanwezig geweest, trilt in verschillende toonaarden na. Nu zich ook de zaak voordoet van twee winkelmedewerkers in Amsterdam, die een overvaller bij diens arrestatie hebben toegetakeld, wordt alom de vraag gesteld wat de burger wel en niet is toegestaan ter beteugeling van geweld.

Vooropgesteld moet worden dat iedereen in zichzelf wel eens de neiging zal hebben voelen opborrelen om hoogst ergerlijk of riskant gedrag van iemand anders met een klap of een schop af te straffen. ,,Zou je hem niet een knal geven'', is bepaald niet een zuiver retorische vraag als de zoveelste bromfietser over het trottoir langs de voetgangers scheert en hen bijna van de sokken rijdt. Dergelijke emoties kunnen soms heel begrijpelijk zijn, maar daadwerkelijk gevolg daaraan geven is natuurlijk van een heel andere orde. En alleen aan dit laatste, het feitelijk doen, heeft het strafrecht enige boodschap: voor het overige staat het de burger vrij welke negatieve gevoelens dan ook in zich te dragen en verbaal te uiten – mits de grenzen van de belediging daarbij niet worden overschreden.

Waarover men zich vooral zorgen maakt is de in veler ogen te strikte maatstaf die door het strafrecht wordt aangelegd bij de vraag welke mate van tegenvuur van particuliere burgers toelaatbaar is jegens plegers van een misdrijf, in het bijzonder bij het gebruik van geweld.

De situaties in Venlo en in Amsterdam zijn heel verschillend, maar vertonen in strafrechtelijk opzicht enige overeenkomst. In Venlo ging het om een dodelijke geweldpleging tegen een volkomen onschuldige burger die – om welke reden dan ook – niet te hulp werd geschoten door omstanders. Had iemand de daders tijdig in hun gewelddadige handelingen weten te stuiten, dan zou dit zonder twijfel als een terechte vorm van noodweer te bestempelen zijn geweest. Noodweer veronderstelt immers de noodzakelijke verdediging van iemands eigen of eens anders lijf of goed tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanval, en wel met proportionele middelen, dat wil zeggen: die qua maat en vorm in een redelijke verhouding staan tot de aard en ernst van de aanval. Het valt overigens nog te bezien of in de Venlose situatie een enkele rotschop wel voldoende zou zijn geweest. Veel vaker gaat het om de vraag of niet te werk gegaan is met te zwaar geschut. Dat is voor het strafrecht een grote zorg omdat noodweer voor de burger nooit een vrijbrief mag zijn om een overdosis aan geweld aan te wenden.

In ons bestel is het geweld in beginsel een staatsmonopolie en bovendien slechts bij de gratie van de proportionaliteit. Voorzover eigenrichting in onvermijdelijke gevallen aan de burger moet worden overgelaten dient daaraan streng paal en perk te worden gesteld. De burger die tegengeweld tegen een aanvallende medeburger kan vermijden, bijvoorbeeld door te vluchten, dient deze vreedzame weg ook prompt te kiezen: iedere niet voor de verdediging noodzakelijke rotschop is – objectief bezien – een surplus dat buiten de noodweer valt. En al helemaal is dit het geval als deze rotschop wordt uitgedeeld bij wijze van trap na, dus nadat het onheil reeds is gekeerd.

Alleen voor gevallen waarin het slachtoffer door de aanval zelf in zo'n heftige gemoedsbeweging is geraakt dat hij begrijpelijkerwijze zichzelf niet meer in de hand heeft kunnen houden, kent het strafrecht een vrij zeldzame uitzondering: `noodweerexces' kan onder omstandigheden enige overdosis aan zelfverdediging door de rechter worden geëxcuseerd.

Het Amsterdamse geval betrof de arrestatie van iemand die in een zelfbedieningswinkel de caissière onder dreiging van een mes geld afhandig had gemaakt. Vervolgens werd hij door twee winkelmedewerkers overmeesterd en werd hem een gebroken neus geslagen. Nadat hij reeds was geboeid gingen zij naar verluidt door met schoppen. Evenals in het geval van noodweer beschikt de burger bij betrapping op heterdaad over bepaalde wettelijke bevoegdheden. Zo mag hij in afwachting van de komst van de politie zijn betrapte medeburger in de kraag vatten en verder vasthouden, terwijl uiteraard ook in dit verband geldt: uitsluitend met gepaste middelen.

De dief die weerstand biedt zal op een evenredige mate van tegenkracht van de kant van zijn achtervolgers mogen rekenen. Al jaren geleden werd bericht dat enkele grote winkelbedrijven er een aparte ruimte op na waren gaan houden om winkeldieven in op te sluiten zolang de politie nog niet was gearriveerd. Als gevaar werd geopperd dat de politie hierdoor niet gestimuleerd zou worden snel te verschijnen, maar anderzijds vormde dit wel een waarborg tegen te zwaar geweldsgebruik.

Ook in de arrestatie-situatie moet onderscheid worden gemaakt tussen de `adequate schop' die dient om langs de weg van de evenredigheid het doel van het vasthouden te kunnen bereiken en de `rotschop', die mogelijk als uiting van emoties, een (onnodige) extra trap of zelfs een trap na betekent. De extra trap kan in de vaart van de gebeurtenissen zijn gegeven, voordat men het zich realiseert, maar de trap na komt vervaarlijk dicht in de buurt van zelf als strafrechter optreden. Aangezien zo'n daad objectief buiten de toegestane proporties valt, geldt deze als (eventueel zware) mishandeling. Doch subjectief gezien kan de betrokkene, enigszins parallel aan het noodweerexces, wegens de opwinding overrompeld zijn geraakt door hevige emoties. Het is dan aan justitie om de graad van aannemelijkheid en excuseerbaarheid hiervan in concrete gevallen nader te beoordelen. Derhalve is het terecht dat justitie ook nu haar verantwoordelijkheid neemt, alle (op zichzelf niet onbegrijpelijke) adhesiebetuigingen – zelfs van koninklijke zijde – aan het adres van de winkelmedewerkers ten spijt.

Ook is het sympathiek dat de werkgever van de betrokken medewerkers hun advocatenkosten betaalt. Maar daaraan doet niet af dat eigenrichting, die op bepaalde momenten hoogst verleidelijk kan zijn, niet zonder hechte grond mag worden bedreven: zo zou al gauw een eerste stap worden gezet in de richting van een heel wat minder aantrekkelijke samenleving, waarin krachtdadige overmeestering en bijbehorende bestraffing het recht van de sterkste zou worden. En zoiets smaakt nu eenmaal altijd naar meer.

Wat misschien in Amsterdam te veel gebeurde, gebeurde te weinig in Venlo: het efectief aanpakken van de dader(s). Geweld op straat lijkt steeds weer in sociaal psychologisch opzicht verlammend op het publiek te werken. Niet altijd onderkent men direct wat werkelijk gaande is en daarnaast blijken mensen ten opzichte van elkaar veelal een afwachtende houding aan te nemen. De meer dan eens gehoorde opmerking dat dit zou komen omdat ingrijpen een grote kans op een strafvervolging geeft is pas juist in evidente gevallen van al te extreem reageren. Zeker kan niet worden ontkend dat Vrouwe Justitia dit soort gevallen op gouden schaaltjes weegt. Maar het is duidelijk dat aldus moet worden voorkomen dat emotionele ontladingen zullen escaleren in een zeer onwenselijke overkill aan reactiepatronen.

Prof.mr. C. Kelk is hoogleraar straf(proces)recht en verbonden aan het Willem Pompe Instituut van de Universiteit Utrecht.