Groente is armoe, roken is rijkdom

Hij eet graag vet varkensvlees en rookt continue. Li Yuanfen kan het zich permitteren. Welvaartsziekten winnen in China terrein.

Li Yuanfen werd geboren in 1949, en is daarmee precies even oud als de Volksrepubliek China. Arm is hij niet meer, hij heeft eindelijk geld genoeg om precies het soort van ongezonde bestaan te leiden waar directeur-generaal dr. Gro Harlem Brundtland van de WHO gisteren bij de presentatie van het Wereldgezondheidsrapport 2002 nu juist haar bezorgdheid over uitsprak. Volgens de topvrouw hebben vooral mensen uit landen als China, die niet arm meer zijn maar ook nog niet echt rijk, te kampen met een combinatie van de kwalen van de arme landen en van de welvaartsziekten.

Li zelf ziet dat niet zo. Hij is veel te blij om eindelijk van de armoede verlost te zijn. Hij heeft geen zin meer om zich ook maar iets te ontzeggen nu hij zichzelf eindelijk kan verwennen. Aan vrijwillig consuminderen heeft hij nog nooit gedacht. Dat zou bovendien lastig gaan, want ook zijn omgeving verwacht van hem dat hij doorgaat met eten, drinken en roken. Zijn maatschappelijk succes is daar ook voor een belangrijk deel van afhankelijk.

Li voert zijn vruchtbaarste zakelijke besprekingen tijdens uren durende, copieuze maaltijden in niet al te dure restaurants. Hij bestelt graag veel, lekker vet varkensvlees van matige kwaliteit. Groenten komen maar heel sporadisch op tafel. Dikke pannenkoeken met een vulling van vlees en uitjes en gefrituurde broodjes die je in gezoete koffiemelk doopt, zorgen voor een overvloed aan koolhydraten. Ook tijdens het eten rookt hij continu, net als zijn tafelgenoten, die hij voortdurend sigaretten presenteert.

Vroeger rookte en dronk zijn vrouw niet mee, maar inmiddels staat ook zij als moderne vrouw haar mannetje. De paar tanden die Li nog over heeft, zijn bruin uitgeslagen van de nicotine. Naar de tandarts gaat hij nooit: dat doet maar pijn.

Het eten van groente associeert hij met de armoede die hij in zijn jeugd heeft gekend, toen hij niet anders te eten kreeg dan uien, peen en witte kool met grove broodjes, gemaakt van maïsmeel. Dat meel had jaren in China's voorraadschuren liggen schimmelen en de broodjes smaakten altijd muf. Toen hij het beter kreeg, nam hij het besluit om nooit meer van die broodjes en zo min mogelijk van die groente te eten.

Bier en goedkope, sterke Chinese rijstwijn drinkt hij wel graag, en een zakendiner is pas geslaagd als er flink met elkaar is geklonken, ook tijdens de lunch. De goedkoopste soorten rijstwijn zijn alleen niet altijd zo zuiver: je kunt er flinke koppijn van krijgen door de methylacohol die er soms in is verwerkt.

Zijn enige dochter moet hard leren voor school, ze is van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat in touw. Voor al dat leren wordt ze beloond met een onbeperkte toevoer van cola. Ze eet graag hamburgers uit de supermarkt, die je zo in de magnetron gooit. Dik word je daar wel van, en vooral in Peking en Shanghai zie je steeds meer kinderen met een Amerikaans postuur. Ze vormen een scherp contrast met de bedelkinderen van het platteland, die je ook in de duurdere winkelstraten van alle grote Chinese steden aantreft.

Li maakt elk jaar een uitstapje met zijn vrienden van de middelbare school. Dit jaar gaan ze met z'n allen naar de Grote Muur. Bijna alle klasgenoten hebben inmiddels een auto, die ze meteen aan de voet van een verlaten, steil stuk muur parkeren. Veel hoogbejaarde toeristen uit het Westen beklimmen de muur op hun eerste dag in China, als ze nog staan te wankelen op hun benen van de jetlag, maar Li lukt het niet meer: hij hijgt al bij de eerste steile trap naar boven. Hij besluit meteen om met een aantal kameraden om te keren en rustig op de rest te wachten aan de voet van de muur. Daar zit gelukkig een klein maar fijn restaurant waar ze bier, sigaretten en stokjes geroosterd vlees verkopen. De dag kan niet meer stuk.

    • Garrie van Pinxteren