Zelfs McCullins landschappen zijn grimmig

Vier keer gescheiden. Vrouw nummer vijf is niet alleen mooier en jonger dan haar voorgangsters, maar zwanger bovendien. De Engelse fotograaf Don McCullin (67) vertelt het met kennelijke trots aan interviewers. Lopend langs zijn foto's en lezend over zijn leven wekt het geen verbazing dat een stabiel gezinsleven voor McCullin niet was weggelegd.

Sinds 1964 zwerft hij over de wereld, met een voorkeur voor frontgebieden. Burgeroorlog op Cyprus, hongersnood in Biafra, cholera in Bangladesh, Amerikanen in Vietnam, rellen in Noord-Ierland; McCullin was er bij en stond er bovenop. Het bracht hem roem, prijzen en nachtmerries. Eind jaren '80 liet hij het geweld achter zich en zocht hij de rust van Somerset, Engeland. Na de lijken volgden de landschappen, die met hun dreigende luchten echter nauwelijks minder grimmig zijn. De laatste jaren werkte McCullin veel in Zuidelijk Afrika, waar hij aids-slachtoffers fotografeerde.

Het nieuwe Amsterdamse fotografiemuseum Foam toont een representatief beeld van McCullins gevarieerde oeuvre. De eerste zaal is gewijd aan Afrika, het continent waar hij al decennia komt. Verderop hangt McCullins eerste gepubliceerde foto, een groepsportret van een stel stoere jongens in een bouwval, gemaakt in 1958. Foto en bijschrift – `The Guvnors' – doen denken aan een rockband, maar het blijkt een bende uit Noord-Londen te zijn. McCullin was met de bendeleden bevriend en verkocht de foto aan The Observer toen een van de bendeleden veroordeeld werd voor de moord op een politieman.

Niet alle foto's komen van het front, maar aangenaam is het nooit bij McCullin. Als geweren niet worden gebruikt, hangen ze wel over schouders. En als er geen bloed vloeit, is het op z'n minst pokkenweer. `West Harlepool, 1963' staat er bij een vrouw met een kinderwagen, met op de achtergrond een industriegebied. Mooi is het wel, die treurigheid. Al wil je dat niet denken bij de zes jonge falangisten die onbeschaamd triomfantelijk staan te zijn bij het lijk van een Palestijns meisje in een natte, kapotte straat van Beiroet, 1976. Een van hen bespeelt een mandoline, een ander roept iets, kijkt vrolijk. Het is een van de aangrijpendste foto's van de expositie, omdat ellende en onverschilligheid zo dicht bij elkaar zijn.

Hoe esthetisch mag leed zijn, het is de vraag die elke oorlogsfotograaf tot vervelens toe moet beantwoorden. McCullin beschouwt zijn werk niet als kunst, maar hij publiceert het in fraaie boeken en het hangt in musea. Ook al vergelijkt hij zijn camera met een tandenborstel – ,,it does the job'' – natuurlijk let hij wel degelijk op licht en kader als hij een door honger vertekend meisjeslijf fotografeert in Biafra. Zelfs als hij razendsnel moet beslissen, vlak voor de executie van een paar Lumumba-aanhangers in Congo. Zijn verdienste was niet dat hij op al die plaatsen was, maar dat hij het vastlegde in beelden die we nu nog willen zien.

Gruwelijke foto's geen kunst willen noemen is morele zelfcensuur. Maar zelfs dan is er nog een goede reden om te gaan kijken. Als McCullins werk geen kunst mag heten, is het in ieder geval geschiedschrijving. Een Koerdische vrouw die bescherming zoekt tegen een Iraakse helikopter, een Vietnamese burger die gemarteld wordt door Amerikaanse soldaten, goed dat het is vastgelegd. In veel brandhaarden uit de jaren '60 en '70 woekert het vuur nog steeds, goed om te weten. Je kunt het allemaal bekijken als documentaire, en er gepast bij gruwen. Maar je kunt ook stiekem genieten van een Turkse soldaat met pet en geweer die langs een muur rent, omdat hij uit een gedroomde speelfilm komt.

Tentoonstelling: Don McCullin Or The Business Of Being Human. T/m 8 dec. Foam_Fotografie- museum Amsterdam, Keizersgracht 609, Amsterdam. Inl. 020-551 6500 of www.foam.nl

    • Mark Duursma