Werk in uitvoering

Een `bouwwerk' noemt de voorzitter van de Europese conventie, Valéry Giscard d'Estaing, zijn document voor een nieuw constitutioneel verdrag voor de Europese Unie. ,,Il s'agit aujourd'hui d'une architecture'', schrijft de oud-president van Frankrijk in een deze week gepubliceerde toelichting. Een eerste aanzet dus, een schets waarover nog volop discussie mogelijk is. Maar toch: de conventie heeft van zich laten horen. Het belang van de boodschap kan moeilijk worden onderschat. In de zomer van 2003 moet het ontwerp voor het nieuwe EU-verdrag klaar zijn. Alles wijst er nu al op dat over de definitieve tekst nog heel wat te doen zal zijn. In de lidstaten van de Unie wordt het werk van Giscard intussen met argusogen gevolgd. Dat was acht maanden geleden, toen de conventie begon, wel anders. Toen overheersten twijfels over dit ,,praatcircus'', nu is volstrekt duidelijk dat Giscard en de zijnen aan niets minder werken dan aan een nieuwe blauwdruk voor het `Europa van morgen', dat misschien veel lijkt op dat van vandaag, maar dat een nieuwe constitutie zal kennen, dat de grondrechten herbelicht en waarvoor taken en doelstellingen opnieuw zullen worden geformuleerd. Doel is de EU democratischer en doorzichtiger te maken voor burgers in de oude en nieuwe lidstaten. Alles wordt overhoop gehaald, van het bestuur tot de financiering, van het vrije verkeer tot het buitenlands beleid. De conventie wil vanaf punt nul beginnen.

Het kan zijn dat door deze rigoureuze aanpak een nieuw momentum voor de Europese Unie wordt geschapen. Snel toenemende `Euro-scepsis', gevoed door een afnemende conjunctuur, gebrek aan Europees leiderschap en de opkomst van populistische, veelal anti-Europese partijen hebben tot een situatie geleid die te vergelijken is met midden jaren tachtig. Het optimisme en de grenzeloze economische expansie van het afgelopen decennium hebben plaatsgemaakt voor wat rond 1985 `Euro-sclerose' werd genoemd: stilstand, cynisme, verharding. In de huidige existentiële fase van haar bestaan, met een belangrijke gebeurtenis als de uitbreiding voor de deur, kan de Unie wel een oppepper gebruiken. Giscard is zich daarvan kennelijk bewust. De contouren die hij van een nieuwe EU schetst zijn een sterk staaltje `werk in uitvoering': het is zagen, timmeren, metselen zonder exact de omvang en de schoonheid van het gebouw te kennen waaraan men zo druk doende is. Spannend is het zeker.

En risico's heeft het ook. Macht en onmacht van de grote en de kleine lidstaten zijn al in deze schets terug te vinden, een principiële steen des aanstoots. Ideeën als het in het leven roepen van een Europees volkscongres, de aanstelling van een president en de gedachtevorming over een nieuwe naam van de Unie nodigen niet alleen uit tot debat, maar zullen tot controverses en mogelijk zelfs confrontaties leiden. De naam van de Unie, bijvoorbeeld, is bij voorbaat een twistpunt. In de naam ligt haar aard besloten. Wordt het Verenigd Europa, of Verenigde Staten van Europa – onaanvaardbaar voor Groot-Brittannië –, Europese Gemeenschap of gewoon EU? En als er een president moet komen, wie wordt dan deze `Mr. Europe', wat worden zijn bevoegdheden en hoe verhoudt hij zich tot de voorzitter van de Europese Commissie? Meer in het algemeen luidt de vraag of Europa eigenlijk wel op vernieuwing van deze soort zit te wachten – groots en neigend tot uitdijing – terwijl de effectiviteit van de Unie tot nu toe lag in haar bestuurlijke beperking.

Hoe het ook afloopt, de verdienste van de conventie is gelegen in haar ambitie om Europa te schetsen als een politieke entiteit. Economisch en monetair staat de EU. Politiek gezien ligt veel open, zo niet alles. De mate van acceptatie van deze politisering hangt af van de vraag of de conventie, de regeringsleiders en niet te vergeten de technocraten in Brussel er de komende tijd in slagen de EU werkelijk democratischer, aantrekkelijker, begrijpelijker en noodzakelijker voor haar burgers te maken. Lukt dat, dan zal er snel een nieuw EU-verdrag komen. Falen de betrokkenen, dan is de kans op een crisis groot.