Onderaan de lijst en toch wel goed

Het Nederlandse onderwijs krijgt weinig geld en kampt met veel uitval, blijkt uit een vergelijking van de OESO. Maar hoe groot zijn de problemen écht?

Het is bijna eentonig aan het worden. Bij iedere internationale vergelijking blijkt Nederland een van de zuinigste landen in Europa te zijn voor het onderwijs.

De nieuwste vergelijking, het gisteren gepresenteerde `Education at a glance, 2000' van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) bevestigt dit beeld. De Nederlandse onderwijsuitgaven daalden tussen 1997 en 2000 van 5,1 naar 4,7 procent van het bruto binnenlands product. Geen land in de regio heeft zo'n laag percentage, zelfs landen als Tsjechië en Hongarije scoren relatief beter. Het Europese gemiddelde is 5,5 procent.

Partijen die willen dat de overheid meer geld aan het onderwijs uitgeeft, zoals GroenLinks en SP, laten dan ook niet na consequent te verwijzen naar het Oeso-rapport. Hoe kan de overheid zeggen dat onderwijs een topprioriteit is terwijl de scholen er vergeleken met het buitenland met een fooi vanaf komen?

Op het eerste gezicht lijken veel problemen in het Nederlandse onderwijs inderdaad groter dan die in de omringende landen. Zo ligt het percentage jongeren dat zonder diploma van school afgaat, hoger dan het Europees gemiddelde. In Nederland heeft 24 procent van de mannen in de leeftijd van 20-24 jaar geen havo-, vwo- of mbo-

diploma gehaald en volgt tevens geen opleiding. Vergelijk dat eens met het buitenland: in België ligt dit percentage op 16 en in het Verenigd Koninkrijk slechts op 8.

De Nederlandse bevolking tussen 25 en 34 jaar is bovendien minder hoog opgeleid dan in de omringende landen. Van deze groep heeft 26 procent een hbo- of wo-

diploma, terwijl het Europees gemiddelde boven de 28 procent ligt. Ook hier worden we verslagen door België (36 procent) en het Verenigd Koninkrijk (30 procent).

Nederland besteedt traditioneel vooral weinig geld aan het basis- en voortgezet onderwijs. Het gemiddelde bedrag per leerling is een stuk lager dan in de omringende landen en leraren staan voor een veel lager salaris per uur voor de klas. Die klas is bovendien groter dan in het buitenland, gemiddeld zitten er 24 leerlingen bij elkaar.

Maar is dit alles erg? Vreemd genoeg hebben de prestaties van de leerlingen nauwelijks te lijden onder dit zuinige klimaat. Nederlandse leerlingen lezen nog steeds relatief goed. Bovendien scoren zij met de natuurwetenschappelijke vakken alleen slechter dan het Verenigd Koninkrijk. Het percentage leerlingen dat zonder diploma van school gaat ligt weliswaar veel hoger dan elders, maar deze groep kan zich in Nederland relatief goed redden; een veel hoger percentage vindt hier gewoon een baan.

Dat Nederlandse jongeren minder vaak doorstuderen, is logisch omdat de opleidingen in Nederland relatief lang duren. De meeste hbo-studies duren vier jaar; dat is in het buitenland ongekend. De Nederlandse jeugd heeft dus per saldo níét minder doorgeleerd dan het buitenland.

Je kunt dus alle kanten uit met de Oeso-vergelijking. De oppositie kan met het rapport in de hand betogen dat het tijd wordt dat extra geld nodig is om Nederland uit de kelder van de Oeso-ranglijst te halen. En demissionair minister Van der Hoeven (Onderwijs) kan in november, bij de behandeling van de onderwijsbegroting, aantonen dat het stoppen van extra investeringen in het onderwijs niet tot verlaging van het niveau van het onderwijs hoeft te leiden. Nederlandse leerlingen behalen immers met weinig geld goede prestaties.