Nederlandse samenleving is knoeieriger geworden

Anders dan in andere landen is het in Nederland onmogelijk iemand te vinden die verantwoordelijkheid aanvaardt voor welk falen dan ook. De manier waarop regering en parlement met `Srebrenica' zijn omgegaan is exemplarisch, vindt Peter van Walsum.

`Onze bevolking kan veel aan'', zei premier Kok, toen hij op 7 mei bekend maakte dat de verkiezingen niet zouden worden uitgesteld. Dat waren ongeveer de laatste woorden die in mij zouden zijn opgekomen als iemand mij toen had gevraagd het Nederlandse volk te typeren. Toen ik mij begin 2001 na acht jaar buitenland weer in Nederland vestigde, had ik niet de indruk dat het Nederlandse volk er sterker op was geworden. Zeker, er was werk in overvloed en de welvaart was spectaculair toegenomen, maar er leek zich iets draaierigs en knoeierigs van onze samenleving meester te hebben gemaakt.

Veel Nederlanders denken dat de dingen waar zij zich aan stoten, in andere landen ook voorkomen. Zij gaan ervan uit dat de schaduwzijde van de moderne tijd zich min of meer egaal over de geïndustrialiseerde wereld heeft uitgespreid. Toenemend geweld, verloedering en verharding in de omgang van mensen onder elkaar vallen per slot van rekening overal waar te nemen.

Dat is waar, maar als ik mijn ervaringen in Duitsland, Engeland en Amerika vergelijk met die in Nederland, dan valt het mij op dat bij ons vaker iets niet klopt; dat verkregen informatie niet juist blijkt te zijn, dat een afspraak niet wordt nagekomen, dat er iets aan een product mankeert, enzovoort.

Zulke verschillen maken ons niet wezenlijk andersoortig. Wat ons wel uniek maakt, is het feit dat in Nederland niemand daarmee zit. Hoe ernstig de consequenties van het falen ook zijn, het is onmogelijk iemand te vinden die zich erover opwindt, laat staan iemand die er de verantwoordelijkheid voor aanvaardt. Nederland is een land zonder verantwoordelijkheid, en Nederlanders zijn daardoor ook niet in staat zich te verontschuldigen. De grootste tegemoetkoming waar men op hopen mag is een verklaring, een onpersoonlijke uiteenzetting van de reden waarom iets is misgegaan. Het gaat dan altijd om een foutje, dat niet door iemand is begaan maar dat zich heeft voorgedaan.

Al deze elementen zijn terug te vinden in de manier waarop ons land met de tragedie van Srebrenica is omgegaan. Die speelde zich af in 1995, maar omdat onze bevolking in de ogen van het eerste kabinet-Kok een onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor die gebeurtenis niet aankon, hebben we volgzaam de uitkomst van het historisch-wetenschappelijk onderzoek van het RIOD (of NIOD) afgewacht. Toen dat op 10 april 2002 eindelijk het licht zag, bleek het de stoutste verwachtingen van onze samenleving te overtreffen: de onderzoekers concludeerden dat geen enkele Nederlander ergens voor verantwoordelijk was. In 1995 hadden zich weliswaar nare dingen voorgedaan, maar die kwamen voor rekening van de Verenigde Naties.

Van het NIOD-rapport werd door onze hele samenleving met een zucht van verlichting kennisgenomen. Premier Kok ging zelfs zo ver te constateren dat het NIOD-rapport volstrekt duidelijk maakte dat de schuld voor de massamoord bij de Bosnische Serviërs lag. Zes dagen na het verschijnen van het NIOD-rapport dat tot zoveel opluchting aanleiding had gegeven, zag het hele kabinet in datzelfde rapport aanleiding om zijn ontslag aan te bieden. Premier Kok zei dat hij dat deed namens de internationale gemeenschap, die niet op zichtbare wijze verantwoordelijkheid kon nemen tegenover de slachtoffers en nabestaanden van Srebrenica. Hij kon en deed dat wel.

Dit kon gewoon niet serieus zijn, want in november 1999 had VN-secretaris-generaal Kofi Annan al het boetekleed voor Srebrenica aangetrokken. Maar nog minder serieus was dat Kamerleden stonden te dringen om deze uitleg van de premier als indrukwekkend te betitelen, zonder dat ook maar iemand de vraag stelde wat er dan wel tussen 10 en 16 april was gebeurd om een rapport dat eerst met opluchting was begroet, plotseling in een dwingende reden tot aftreden te veranderen.

Het is denkbaar dat het aftreden van het kabinet-Kok zo weinig opschudding heeft gewekt omdat toch al het gevoel bestond dat Paars op zijn laatste benen liep. De Kamer had al zó vaak meegemaakt dat ministers waren blijven zitten na incidenten die hen in serieuzere landen tot aftreden zouden hebben genoopt, dat zij ditmaal niet moeilijk wilde doen over het omgekeerde, namelijk het zonder duidelijke aanleiding aftreden van een heel kabinet dat sowieso nog maar een maand te gaan had.

Op 16 april had het aftreden van Paars nog maar weinig nieuwswaarde. Het totstandkomen van Paars acht jaar eerder was een wonder geweest, en het heeft in zijn eerste termijn ook wonderen verricht. Maar een coalitie van PvdA met VVD – al dan niet met D66 daartussen – was natuurlijk wel steeds een noodoplossing. Zo'n coalitie is wat de Duitsers een grosse Koalition noemen. Het is iets waar men in de Duitse politiek buitengewoon huiverig voor is. Een coalitie die een te groot deel van het politieke spectrum beslaat, drijft het politieke debat het parlement uit. In Duitsland wordt dat als een gevaar voor de democratie gezien, maar wij dachten dat het bij ons wel kon omdat wij anders zijn.

Door te lang vast te houden aan Paars hebben de PvdA en de VVD zich kwetsbaar gemaakt, en dat hebben zij op 15 mei geweten. Hun debacle was een logische consequentie van een te lang gecontinueerde uitzonderingstoestand. Maar wat ons land dan weer helemaal onserieus maakt is het feit dat bij diezelfde gelegenheid het CDA door de kiezers vorstelijk werd beloond voor wat niet anders dan acht jaar falende oppositie kan heten.

Dat het CDA geen oppositie kon voeren lag niet aan De Hoop Scheffer. Er is een structurele oorzaak voor het falen van het CDA als oppositiepartij, en die is dat de partij van nature `linksig' is. Linksig betekent: behept met een neiging naar links die niet berust op een autonome maatschappijvisie, maar voortkomt uit huiver om als rechts over te komen.

Dat de politiek leider van het CDA na de verkiezingen van 15 mei premier in een centrum-rechts kabinet is geworden, doet op het eerste gezicht vermoeden dat het CDA zijn linkse reflex eindelijk heeft afgeschud. Maar schijn bedriegt. CDA en VVD verzekeren ons nu wel dat zij na de komende verkiezingen met elkaar verder willen, maar als eenmaal PvdA en VVD hun normale sterkte herwonnen hebben, zijn we weer terug bij af. Dan is alles weer net als vóór Paars, toen het CDA sinds mensenheugenis zelf kon bepalen of het met de PvdA dan wel de VVD in zee wenste te gaan.

Ik vind dat een ondraaglijke gedachte. Ik moet er niet aan denken dat we ons plotseling terug zouden bevinden in dat verstikkende tijdperk. Nog erger is dat deze restauratie door veel kiezers als vernieuwing zal worden gezien. En het allerergste is dat het niet anders kan. Het is niet voor te stellen dat CDA en VVD op basis van een centrum-rechts programma voorgoed bij elkaar zullen willen blijven.

De linkse reflex is misschien overwonnen, maar het CDA blijft een partij met twee vleugels, de ene met een hang naar establishment en de andere inspiratie zoekend in de Bergrede. De partij zal zich ook in de toekomst ter wille van het evenwicht tussen die twee op gezette tijden geroepen voelen haar sociale gezicht te tonen door de PvdA weer eens een beurt te gunnen.

Als daarmee inderdaad alles weer bij het oude is, geldt dat ook voor het recept dat ooit tegen deze onbevredigende situatie is uitgevonden, en dat is Paars. Over een reprise van Paars valt nu niet serieus te praten, maar de optie moet wel openblijven. Hoeveel wrijving er in de slotfase ook tussen PvdA en VVD is ontstaan, hoeveel Nederlanders Paars ook als een mislukt experiment beschouwen, hoe dankbaar we ook mogen zijn dat Paars niet langer dan twee zittingsperiodes geduurd heeft, de optie van nog een keer Paars kan niet worden gemist. Liever nog een keer Paars dan altijd CDA.

Mr. A.P. van Walsum is oud-ambassadeur. Bovenstaande tekst is de ingekorte versie van de Thorbeckelezing die hij gisteren in Zwolle heeft uitgesproken.