Laatste Franse wet vervangen

Met een toespraakje in het Frans van staatssecretaris Joop Wijn (Economische zaken) heeft Nederland gisteren afscheid genomen van de laatste Nederlandse wet die nog in het Frans was gesteld, de Mijnwet van 1810.

De Eerste Kamer nam de nieuwe Mijnbouwwet gisteravond laat aan, overigens zonder stemming. Deze vervangt niet alleen de Mijnwet van 1810, maar ook drie sindsdien uitgevaardigde, aanvullende wetten – te weten de Mijnbouwwet van 1903, de Wet opsporing delfstoffen en de Mijnwet continentaal plat.

De Mijnwet 1810 dateert uit de Franse tijd, toen de Nederlanden na 1795 achtereenvolgens Bataafse Republiek en Koninkrijk Holland heetten, en later werden ingelijfd bij het Franse Keizerrijk en in departementen opgedeeld.

In deze periode werd wetgeving in het Frans gepleegd, en was veelal gestoeld op Franse voorbeelden, zoals het Burgerlijk Wetboek, dat geënt was op de Franse Code Civil.

De bedoeling van de nieuwe wet is om voor alle mijnbouwactiviteiten op Nederlandse bodem één kader te scheppen, zowel wanneer deze op land als op zee gebeuren. Het in 1810 geïntroduceerde basisprincipe blijft daarbij gehandhaafd, dat wie op zijn eigen grond delfstoffen vindt, daar niet de eigenaar van is, maar dat deze aan de staat toebehoren.

Omdat minister Heinsbroek bij de jongste kabinetscrisis het kabinet heeft verlaten, viel de verdediging van de nieuwe Mijnbouwwet in de Eerste Kamer toe aan staatssecretaris Wijn.