Justitie kent de straatcriminaliteit alleen uit wetboek

Het openbaar ministerie in Amsterdam gaat twee medewerkers van Albert Heijn vervolgen omdat zij een winkeldief hebben aangehouden en daarbij mishandeld zouden hebben. Justitie onderneemt hiermee een actie die het rechtvaardigheidsgevoel van de burger ondermijnt.

Het AH-filiaal in kwestie staat in de Eerste van Swindenstraat op nog geen honderd meter van waar ik met vrouw en kind woon. Het is het toonbeeld van een gedroomde straat. Er zijn interieurwinkels met neptijgervellen naast modieuze kledingzaken. Er is een slager waarvoor de klanten zonder morren een half uur in de rij staan. Er hangt een new age-sfeertje door onder andere een biologisch verantwoorde supermarkt en een homeopathische drogist. Daarnaast is de straat onmiskenbaar multicultureel. Naast een oosterse winkel van sinkel, is er een kleine winkel met Afrikaanse gewaden en een Turkse supermarkt. Schuin tegenover de Turk zit een Grieks restaurant, aan het begin van de straat zijn eetcafés en natuurlijk is er de onvermijdelijke buurt-Chinees.

In deze straat bestieren Simon en Lukas sinds enige jaren de AH. Groot genoeg om bijna alles te vinden en klein genoeg om de suggestie van een gemoedelijke buurtzaak vol te houden. Veel caissières dragen een hoofddoek en veel jongens in de winkel komen uit migrantengezinnen.

Is deze winkelstraat levendig op het chaotische af, er zitten ook rauwe kanten aan. 's Middags rolt het verkeer toeterend langs de geparkeerde auto's. 's Avonds rijden jongemannen rond in auto's die eerder op luide muziek lijken te rijden dan op benzine. Snelheidsduivels testen, soms middenin de nacht, hun rijvaardigheid op de motorfiets. En om de zoveel tijd verleggen criminelen hun werkterrein naar deze straat.

Buiten de AH staat regelmatig een auto van de politie om een winkeldief op te halen. Bij een kledingwinkel zijn al enkele malen de roltralies geforceerd en de ruiten ingegooid. De laatste keer vroeg op een zomeravond, toen zes Marokkaanse jongens de winkel van dure jassen beroofden terwijl de bloempotten van de buren hen om de oren vlogen. Onlangs sloegen Bulgaarse zakkenrollers hun slag op de Dappermarkt en vochten drugscriminelen hun vetes uit met vuurwapens.

Straatcriminaliteit is hier geen theoretisch begrip. Tot twee keer toe was ik in de AH in de Eerste van Swindenstraat getuige van de aanhouding van een onverlaat. De eerste keer gooide een hysterisch schreeuwende man een vol bierblikje door de winkel. Hij werd bij de uitgang tegen de grond gewerkt, onder andere door een zeer krachtig gebouwde jongen. Deze haalde zijn vuist uit, wachtte even en zei tenslotte: ,,Jij hebt een geluk jongen, dat weet je niet eens''. De tweede keer zag ik hoe een grote, agressieve bedelaar in de winkel iets stal. Hij werd buiten door twee man tegen de muur gedrukt en vervolgens naar binnen gebracht.

Volgens de Amsterdamse officier van justitie D. Kruimel hebben de AH-medewerkers Simon en Lukas bij hun ingrijpen excessief geweld gebruikt. ,,Dat is eigenrichting en dat kunnen wij niet tolereren'', zei de officier. Zij hadden de winkeldief geen gebroken neus mogen slaan, nadat hij zijn mes had weggegooid. Zelfs niet nadat hij eerst had geprobeerd Simon tot driemaal toe te steken.

Ik vroeg haar of zij wel eens bij een gevecht betrokken was geweest. Dat was zij niet. Zij wist wel wat de regels waren en dat was bijvoorbeeld dat je wel óp iemand kon gaan zitten tot de politie was gekomen. Slaan was uit den boze.

In de jaren dat ik rechtbankverslagen schreef is het mij opgevallen dat een niet onaanzienlijk deel van de zittende en staande magistratuur een wereldvreemde indruk maakt. Het lijkt soms alsof de dames en heren rechters en officieren dagelijks in dure middenklassers pendelen tussen de rechtbank en eengezinswoningen in slaapsteden. Zij zijn waarschijnlijk goed onderlegd in juridische kwesties, maar ook totaal losgezongen van de werkelijkheid die ze moeten beoordelen.

Hier in de Dapperbuurt kijk je onwillekeurig naar ieder groepje luidruchtige jongetjes. Staat er iemand alleen in de winkel? denk je meteen als je ze een winkel in ziet gaan. Wat doen die twee jongens in leren jassen en met mutsen op daar voor de sieradenwinkel? Je weet dat de politie de berovers van de kledingzaak wel op het oog heeft, maar nog steeds niet heeft gepakt. Je hoort de bedreigingen die soms door de straat worden geschreeuwd. Met alle plezier waarmee je deelneemt aan het leven hier, ben je ook alert. En je voelt je chronisch in de steek gelaten door `het gezag'.

Daarom hoop ik dat als zich weer een incident voordoet op straat of in het AH-filiaal, ik de moed zal hebben Simon en Lukas te hulp te komen. Zij bewaken mede de leefbaarheid in deze buurt en wij moeten ze daarbij helpen. Dat kunnen we niet overlaten aan justitie.

Hans Moll is redacteur van NRC Handelsblad.