Een rotstad vol gelukkige kankeraars

Rotterdammers vinden hun stad onveilig en vies. Zelf voelen ze zich niet altijd even gezond. Dat zeggen ze tenminste tegen onderzoekers.

Dat Rotterdammers een ontevreden inslag hebben, mag bekend worden verondersteld. Zij stemden dit voorjaar en masse op Pim Fortuyns Leefbaar Rotterdam en herhaalden dit tegengeluid even massaal in mei. Maar wat betekenden deze proteststemmen nou precies? Waarover waren de stadsbewoners nu echt ontevreden?

Het antwoord op die vraag staat in `Rotterdammers over hun stad', een tweejaarlijkse compilatie van meningen die wordt uitgebracht door het eigen onderzoeksbureau van de stad. Wat blijkt? In Rotterdam is bijna iedereen ontevreden over bijna alles. En voorzover dat nog mogelijk was: weer ontevredener dan twee jaar geleden.

Om te beginnen vinden de bewoners de stad onveilig: dat zegt tweederde van de bevolking. Maar ook zijn ze ontevreden over hun buurt, bijna de helft vindt dat die achteruitgaat. Er ligt rommel, er ligt hondenpoep, er ligt vuil naast de afvalcontainer. Reinigingspolitie zie je bijna nooit. Zowel het groen als het straatmeubilair wordt slecht onderhouden.

Ook storen de stadsbewoners zich aan de mensen om zich heen: één op de zes ondervindt overlast van zwervers en junks. Een gevoel van saamhorigheid creëert dit overigens niet, want met de buurtgenoten die net als zij keurig in een huis wonen, bemoeien ze zich weinig: de helft van de stadsbevolking praat gemiddeld eens in de week met buurtgenoten, eenvijfde zelden of nooit. Voor ongeveer de helft van de stedelingen geldt dat ze zich niet thuis voelen bij de mensen in de eigen buurt.

Daar komt dan nog bij dat veel mensen zich ook niet altijd even lekker voelen: eenderde noemt de eigen gezondheid matig. En waar landelijk ongeveer een kwart van de bevolking psychosociale problemen zegt te hebben, is dat hier bijna veertig procent. Niet dat ze zich overmatig inspannen voor een betere gezondheid: één op de drie stadsbewoners rookt, veertig procent geeft toe onvoldoende te bewegen.

Nu moet natuurlijk worden bedacht dat dit soort enquêteresultaten wordt beïnvloed door opleidingsniveau en inkomen en dat de stad ook hierin afwijkt van de rest van het land, ja zelfs van andere grote steden. Het gemiddeld inkomen en opleidingsniveau zijn lager dan landelijk en ook lager dan in andere grote steden, de werkloosheid ligt beduidend hoger. Twee op de vijf stedelingen hebben geen hogere opleiding dan lagere school of voorbereidend beroepsonderwijs. Veertig procent van de stadsbevolking is allochtoon, evenveel als in andere grote steden, maar twee keer zoveel als landelijk.

En dan is er nog iets. Het gevoel dat het slecht is gesteld met openbare orde en veiligheid is het grootst in de delen van de stad waar dat nog meevalt. In Hillegersberg en Kralingen, de chicste en witste deelgemeenten, vindt maar liefst tachtig procent van de bewoners dat. Naarmate opleiding en inkomen hoger zijn, storen mensen zich ook vaker aan verpaupering en teloorgang. Ook ergeren autochtonen zich meer aan deze zaken dan allochtonen.

Dit lijkt te leiden tot de paradoxale, maar hoopgevende conclusie dat zolang de stad meer mensen met een lage opleiding en weinig inkomen gaat tellen, het gevoelen over de stad positiever wordt. Zeker is vooralsnog dat veel bewoners het wonen in de stad waarderen: tweederde zegt gehecht te zijn aan de buurt, de helft van de stedelingen woont hier omdat men er is geboren en getogen. En als ze al willen verhuizen, is dat meestal omdat de woning te klein is. Negen op de tien inwoners zeggen zich ondanks alles gelukkig te voelen.

    • Gretha Pama