`Topsport is vorm van showbusiness'

Volgens de Belgische sporthistoricus en bewegingswetenschapper professor Roland Rensen zijn breedte- en topsport uit elkaar gegroeid. En in de voorbeeldfunctie van topsport gelooft hij al helemaal niet.

Roland Renson acht het hoog tijd voor herwaardering van de breedtesport. Topsport raakt volgens de professor sportgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit in Leuven steeds verder verwijderd van zijn oorsprong. ,,Topsport zou behandeld moeten worden als een onafhankelijke vorm van showbusiness'', zei de Belg gisteren tijdens breedtesportcongres `Sport for All' op het nationaal sportcentrum Papendal.

De verwijdering tussen top- en breedtesport is in Rensons ogen dermate vergevorderd, dat de in Nederland geïmpregneerde visie over geschakelde top- en breedtesport moeilijk kan standhouden. ,,Kijk naar de Verenigde Staten met zijn profcompetities, waar die band vele jaren geleden al is losgeraakt'', verwijst de Belg. ,,Of naar de voormalige Oostbloklanden, waar jarenlang een topsportcultuur zonder breedtesport heeft geëxisteerd. Het is ook een idee-fixe te denken dat topsporters geïnteresseerd zijn in breedtesport; de beoefenaars zijn in hun ogen klungelaars. Atleten minachten de joggers, zoals zeilers de windsurfers; het zijn ketters.''

Kom bij Renson ook niet aan met de voorbeeldfunctie van topsport. Hij gelooft er niet in en wordt daarin gesteund door onderzoeken, die het bewijs voor die bewering nooit hebben kunnen leveren. Volgens de Belg heeft succes in topsport hooguit een kortstondig positief effect. De categorie die wel slaagt als topsporter voldoet naar Rensons opvatting aan de hoge eisen van het rolmodel. ,,Zoals vijf op de duizend topmodellen een Claudia Schiffer worden, zo dringt één op de duizend basketbalspelers in Amerika door tot de NBA; die hebben de bodyshape. Maar maak dat de zwarten in de getto's maar eens wijs. Ik heb in die kringen iemand wel eens cynisch horen zeggen, dat de meeste zwarten beter af zijn als hen wordt geleerd drugs te verhandelen dan hun illusie op een carrière in de NBA in stand te houden.''

Eerder op de congresdag beweerde de Nederlandse sportsocioloog Maarten van Bottenburg al dat er niet zoiets bestaat als het Boris Becker-effect. ,,In Duitsland denkt iedereen dat dat de tennissport zo sterk groeide door de successen van Boris Becker en Steffi Graf. Maar in dezelfde periode steeg het aantal Nederlandse tennissers in Nederland net zo hard, terwijl Nederland nauwelijks internationale successen boekte.'' Van Bottenburg herhaalde wat hij in 1994 in zijn boek Verborgen Competitie over de `uiteenlopende populariteit van sporten' al het Ard en Keessie-effect noemde. Medailles en successen in de topsport garanderen geenszins de groei van sportbeoefening.

De populariteit van een bepaalde sport is volgens Van Bottenburg meer te danken aan de inspanningen van een bond en verenigingen (zoals met hockey) dan aan successen. Daarover bestaat volgens de socioloog een al jaren een wijdverbreid misverstand. ,,Er is slechts een korte opleving te zien. Na de euforie volgt meestal de teleurstelling en haken mensen weer af, en vinden ze weer een andere sport aantrekkelijk.'' In Nederland deed zich bij volleybal zelfs een omgekeerde ontwikkeling voor.

Volgens Renson wordt het voor topsporters tijd de grenzen van hun kunnen te accepteren. Het modernisme in de sport heeft zijns inziens geleid tot excessen, die het rechtvaardigen de olympische slogan `citius, altius, fortius' (sneller, hoger, krachtiger) uit te breiden met het woord stultius (dwazer). ,,Maar de mens is gelimiteerd. De infrastructuur bepaalt of prestaties nog worden verbeterd, zoals geavanceerde loopschoenen of een polsstok van vernieuwd materiaal.''

De negatieve effecten ten spijt ziet Renson in de bewegingsleer een toenemende uiting van wat hij `sportivering' noemt. ,,Neem ballroom-dansen, dat een olympische sport wil worden. Waarom in hemelsnaam? Ik zou graag meer meer gewetensonderzoek bij het Internationaal Olympisch Comité zien. Dankzij de tv-rechten zit het IOC financieel op rozen en is er geen noodzaak over een nieuwe filosofie na te denken. Maar het olympisme verkeert echter in een groot nirvana en moet hoognodig opnieuw gedefinieerd worden. De Olympische Spelen zijn al lang niet meer gebaseerd op de bewegingscultuur, maar op de monocultuur van de westerse wereld. En die ontwikkeling is niet tegen te houden. Waarden en normen in de topsport zijn holle frasen; het gaat meestal om de poen.''

    • Henk Stouwdam