Punkpoes

De kattenvriend krijgt bezoek. Maar in de coulissen maakt de poes zich op voor een dramatische opkomst.

Calvinistische regenbuien geselden mijn ramen en buiten ging het vaderland naar de donder, maar ik was tevreden, met poes op schoot en om haar te vermaken zappend. Vogeltjes, als in natuurprogramma's, ziet zij het liefst.

Ik zat daar heel zoet en deed niemand kwaad, toen er dringend gebeld werd. Poes sprong weg. Toen ik opendeed, stond ik tegenover een punkmeisje. Haar schedel was kaalgeschoren, op een groene en een roze lok na; haar kleding was een zwerm zwarte lappen en vodden, met veiligheidsspelden bijeengehouden; haar nagels en lippen waren inktzwart en zij had haar ogen zo zwaar opgemaakt dat ze mij aan een wasbeertje deed denken. Ik vond haar meteen aardig.

Dit was Wanda, met een verzoek. Met haar makkertjes had zij een leeg kantoorgebouw gekraakt. Ik kreeg een velletje papier met een strijdlustig manifest. En vond ik ook niet dat de krakers mochten blijven? Absoluut. Wilde ik dan een solidariteitsverklaring tekenen? Zij stak me een klembord toe.

Ik signeerde met zwier. Ze bedankte en maakte aanstalten de trap te beklimmen. Ik zei dat er boven niemand thuis was. Wanda bedankte opnieuw; ik hield de buitendeur voor haar open en zij ging met een gil tegen de vlakte.

Ik hielp haar overeind. Het bleek dat zij, als zij haar gewicht op haar linkerbeen bracht, brandend prikkeldraad door haar kuiten voelde trekken. Ze kon niet lopen en ik kon haar toch ook niet op één been in de stortregen achterlaten. Ik tilde Wanda op, droeg haar bruidegomsgewijs mijn huis binnen en parkeerde haar op de bank, met een krukje voor de zere voet. In overleg bevoelde ik haar linkerbeen van onder tot boven.

,,Ja, hou maar op. Het in mijn enkel.''

,,Ik begon er juist pret in te krijgen.''

Zij gaf mij, uiteraard, een blik, maar niet de blik die ik verwacht had. Even later had ik een zakje ijsblokjes om het al zwellende gewricht geplakt en repen theedoek, gedrenkt in ijskoud water, over alles heen gewikkeld. Daarna gaf ik haar achtereenvolgens wijze raad over de enkel, een compliment voor haar outfit en een zoen.

De zoen viel goed. Wij omhelsden elkaar hartelijk en ik hoopte dat haar zwarte lippenstift mijn gezicht zou volstempelen met afdrukken van Wanda's mond. Louter uit onschuldige artistieke verstrooidheid, legde ik mijn hand lichtjes op haar borst.

En nam die bliksemsnel weg want uit haar zwarte keurtje rees een pijnlijk schelle fluittoon, of ik een inbrekersalarm in werking had gezet. Wanda lachte om mijn schrik.

,,Wees maar niet bang'', zei ze, ,,hij doet geen kwaad.''

Nu verscheen in haar keurtje de kop van een witte rat. Hij snuffelde een beetje, wrong zich los en sprong op haar visnetknie, waar hij zijn knevels ging opstrijken.

,,Hij heet Curt. Ik heb hem altijd bij me. Aai hem maar, hij bijt nooit.''

Zo was het. Ik streek over zijn schamel jasje en krabde hem achter zijn roze oortjes, mijn andere arm om Wanda geslagen en mijn aandacht over beide verdelend. Wij vormden een harmonieuze groep – tot een nieuw, heviger alarm afging, nu onder mijn schedeldak. Want wij waren niet de enige acteurs op het toneel. Een vierde speler had in de coulissen staan wachten en nu maakte hij zich gereed voor een dramatische opkomst.

Ik keek naar links en daar was híj. Zijn lijf was plat tegen de vloer gedrukt, zijn staartpunt zwiepte en zijn ronde gouden ogen waren gefixeerd op Curt, met al de liefde en goedheid van een dubbelloops geweer. ,,Niet doen!'', riep ik futiel. Poes sprong soepel bij Wanda op schoot, nam Curt in zijn bek, sprong weer op de grond en sprintte de kamer uit. Ik ging hem achterna, maar het was zinloos. Poes is altijd een groot verstopper geweest.

Wanda was nogal boos. Haar rat weg, haar vrijpartijtje onderbroken, diepe schrammen van kattennagels en haar enkel verzwikt? Dat was mijn schuld, als achterbakse nazifascist, misselijke handlanger van de gevestigde orde en dierenbeul. Dertig volle minuten lang vlogen haar scheldwoorden door de kamer als paardenvijgen, en ik was blij dat zij niet kon lopen. Ten slotte wist ik haar min of meer te sussen, en op haar mobieltje belde zij haar kameraden. Die droegen haar weg, mij vuil aankijkend.

Curt vond ik op mijn hoofdkussen. Poes had de buik opengelegd en de meeste ingewanden opgegeten. Ik begroef de onfortuinlijke rat onder de cotoneasters, in een krantje gewikkeld.

De evaluatie kwam 's avonds. Ik voltooide juist een briefje: Geen Punkers svp, toen poes op mijn schrijfblad ging zitten en mij de volle laag van zijn betonnen persoonlijkheid gaf. Geen punkers? Ik moest toch in een stukje heroverweging een insteek maken voor ratten, muizen, wie weet zelfs konijntjes en hamsters! Was ik nu die kattenvriend? Opnieuw de pen opgenomen.

Punkmeisjes van Nederland! Kom op en trek aan de bel. Waar wachten jullie nog op? Je hebt alles te winnen en niets te verliezen dan je knuffeldier!

Dit manifest is nu op de deur geplakt. Nog heeft zich niemand gemeld. Maar ik zal iedereen toefluisteren dat wij niet alleen zijn, daarbinnen.

    • Paul Marijnis