Omroepen moeten publieke domein opnieuw uitvinden

De publieke omroep moet haar stammenoorlog beëindigen en aansturen op een kwaliteitswaarborg op basis van de bestaande wettelijke criteria, vindt José van Dijck.

De Nederlandse publieke omroep zit in een spagaat. Terwijl de afzonderlijke omroepen druk bezig zijn met het opnieuw uitvinden van de eigen identiteit, bekommert de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) zich vooral (en terecht) om de betekenis van het woord `publiek'. Terwijl de omroepen verstrikt zijn in een onderlinge competentiestrijd, belichaamt de NOS de gezamenlijkheid tegenover de gemeenschappelijke concurrent: de commerciële omroepen. Tussen `publiek' en `omroepen' bestaan zoveel spanningen, dat het moeilijk wordt een danseres te zien in plaats van twee benen in een onnatuurlijke stand.

Toen er nog geen commerciële omroepen waren, waren omroepen per definitie publiek. Sinds 1989 is dit veranderd. Het is een ongelukkige samenloop dat de hele publieke sector de laatste vijftien jaar lijdt onder politieke verwaarlozing en impopulariteit. Ook de omroep heeft, net als bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs, te maken met een toenemende druk van het marktdenken en een afnemende waardering voor publieke activiteiten die `geld kosten'. De omroep zou niet commercieel zijn en geld over de balk smijten. Bovendien is zij nu eens niet onderhoudend genoeg en te veel gericht op de wensen van de culturele elite, dan weer te populair, te volks, met hetzelfde arsenaal aan entertainment als de concurrenten. Wellicht het hardnekkigste misverstand daarbij is dat de commerciële omroepen gratis zouden zijn. Dat deze kosten in de dagelijkse aankoop van goederen verwerkt zijn, lijkt niet echt door te dringen.

De wet is tamelijk duidelijk over de taak en missie van de publieke omroep: kernwoorden hierin zijn toegankelijkheid, pluriformiteit, kwaliteit en zeggenschap. Die brede begrippen zijn nog steeds geldig, maar inmiddels heeft hun maatschappelijke betekenis een ware metamorfose ondergaan.

Toegankelijkheid betekent dat de omroep, net als het onderwijs, voor iedereen bereikbaar moet zijn en alle lagen van de bevolking moet bedienen. In 1960 werd met twee zenders nog een sterk verzuilde bevolking van mentaal voedsel voorzien; in 2002 ziet het medialandschap er radicaal anders uit. Met tientallen zenders op de kabel is toegankelijkheid meer dan een technisch of inhoudelijk criterium. Ook herkenbaarheid en aantrekkelijkheid zijn criteria die van levensbelang zijn voor een publieke omroep die een eigen gezicht wil houden. Profilering en uitbreiding naar nieuwe media is daarom een aanvullende taak voor de publieke omroep. Wil ze toegankelijk blijven, dan moet ze ook interessant en zichtbaar blijven voor een generatie die opgroeit in een veel groter medialandschap dan vroeger.

Het criterium pluriformiteit is ook toe aan herijking. De bestaande omroepen ontlenen hun bestaansrecht aan de historische grond dat ze vroeger een bepaald maatschappelijk, religieus of ideologisch belang vertegenwoordigden. Of die omroepen nog steeds representatief zijn voor de huidige textuur van de samenleving. is zeer de vraag. Het voorstel om alle huidige omroepen af te schaffen is een interessante gedachteoefening. Immers, waarop zouden nieuwe omroepen gebaseerd zijn? Op maatschappelijke stromingen? De ANWB en Greenpeace zijn de maatschappelijke organisaties met de meeste leden. Op religieuze overtuigingen? De Moslimomroep zou zich ongetwijfeld kunnen verheugen in een grote achterban, terwijl die het nu moet stellen met 1 uur zendtijd per week op zondagochtend. Of leeftijdsgroepen? Na de miraculeuze toetreding van BNN tot het publieke bestel gaat nu een heuse seniorenzender (MAX) solliciteren naar een legaal plekje onder de publieke zon.

In tegenstelling tot vijftig jaar geleden denken we echter niet meer over media als injectiespuiten die een bepaalde overtuiging op een homogene en passieve groep kijkers of luisteraars overbrengen. Mensen kijken omdat bepaalde informatie of ontspanning hen aanspreekt. Programmeren op grond van een maatschappelijke of religieuze stroming is dan ook achterhaald. Wat mensen bindt is, behalve normen en waarden, een bepaalde smaak. Pluriformiteit is dus ook gaan betekenen: het programmeren voor smaakgemeenschappen. Dat is iets anders dan een commerciële doelgroep: deze laatste wordt bepaald door adverteerderswensen, de eerste door publiekswensen. Niet kijkcijfers maar bereikcijfers moeten de graadmeter zijn voor de gezamenlijke publieke omroep. Ook kwantitatief kleinere groepen moeten aan bod komen.

Kwaliteit, het derde criterium, is altijd een moeizaam begrip geweest. Kwaliteit werd vroeger (en nog steeds vaak) gelijkgesteld met `hoge cultuur': serieus Nederlands drama, nieuws, concerten en documentaires. Maar er zijn geen hoge of lage genres, er zijn wel goede en slechte soaps of goede en slechte documentaires. Een programma kan (ambachtelijk) goed gemaakt zijn, het kan kritisch zijn, mensen iets leren, informatief of juist heel onderhoudend zijn. De publieke omroep kan per genre of categorie verwoorden aan welke kwaliteitseisen programma's moeten voldoen. De garantie van kwaliteit wordt een keurmerk. Het maakt ook duidelijk waarop het resultaat getoetst gaat worden.

Ten vierde, zeggenschap. Burgers hebben invloed op de afzonderlijke omroepen via hun lidmaatschap, maar over de gezamenlijkheid (en dus over de invulling van het begrip publiek) hebben zij vreemd genoeg niets te zeggen. Dat is in handen van het NOS bestuur, dat wordt benoemd, gestuurd en gecontroleerd door de Raad van Toezicht. Die Raad van Toezicht bestaat echter vooral uit de omroepvoorzitters, waardoor het belang van `publiek' ondergeschikt lijkt aan de verzameling deelbelangen van de omroepen. Het merkwaardige onderonsje tussen omroepvoorzitters en NOS-bestuur is niet meer van deze tijd.

Zeggenschap betekent ook inzicht krijgen in de organisatie en kwaliteit van het geleverde product. In het hoger onderwijs, met vijfjaarlijkse visitaties, krijgt de burger inzicht in welke opleidingen wat te bieden hebben en volgens welke criteria. Het verheugt me dat de publieke omroep een dergelijk instrument gaat hanteren, maar ze moeten één fout van de universiteiten vermijden. Als iedere omroep beoordeeld wordt op zijn eigen profiel, in plaats van op zijn bijdrage aan de gezamenlijkheid, hebben we niets aan zo'n visitatiesysteem. Nederland is te klein voor een verdeelde publieke omroep, net zoals het te klein is voor zes opleidingen Duits met gemiddeld 3 studenten. Een volledig en gevarieerd programma-aanbod is een mooi ideaal, dat juist bereikt wordt door samenwerking en afstemming in plaats van de onderlinge concurrentie en zuilenlogica uit het analoge tijdperk.

Toegankelijkheid, pluriformiteit, kwaliteit en zeggenschap: deze vier begrippen vormen nog steeds het hart van de publieke omroep. Aan die omschrijving in de wet hoeft niets veranderd te worden. Maar qua inhoud, organisatie en structuur loopt de publieke omroep achter bij de maatschappelijke ontwikkelingen, en laat zij zich vooral leiden door gevestigde belangen en stamoorlogen.

Wat mij betreft wordt `publieke omroep' een keurmerk in plaats van een logo: een herkenbare publieke organisatie die weigert zich te laten aansturen door commerciële concurrentie en targets, noch door overheid of politieke partijen, maar die het publieke domein opnieuw uitvindt. Die publieke omroep is van ons, en hoe heterogeen en complex dat `ons' ook is: zonder gezamenlijkheid geen democratie, zonder marktplein geen gezamenlijkheid en zonder publieke media geen marktplein.

José van Dijck is hoogleraar Televisie, Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.