Noodweer mag soms, een tegenaanval niet

De wet stelt scherpe grenzen aan noodweer. Bij de twee AH-medewerkers lijkt zelfs sprake van een tegenaanval waarvoor juridisch al helemaal geen basis bestaat.

Persoonlijk zou hij ,,een gigantische rotschop hebben uitgedeeld'', zei politieminister Remkes naar aanleiding van het zinloos geweld in Venlo dat vorige week René Steegmans het leven koste. Een skeptische reactie op dit recept liet niet lang op zich wachten: dan zou de minister als beloning zélf wel eens kunnen zijn opgepakt en wie weet zelfs veroordeeld.

Toch heeft het recept van Remkes een solide juridische basis: zelfverdediging. Deze rechtvaardiging tot ingrijpen betreft van oudsher niet alleen de eigen maar ook ,,eens anders eerbaarheid lijf of goed'', zoals de wet het uitdrukt. ,,Recht hoeft voor onrecht niet te wijken'', zegt de nestor van de Nederlandse strafrechtswetenschap J.Remmelink in zijn handboek. Tegelijk moet hij vaststellen dat van de oude latijnse rechtsspreuk ,,vim vi repellere licet'' (het is geoorloofd geweld met geweld te verdrijven) nog slechts ,,een sobere rest'' over is.

De wet op noodweer, zoals de vakterm luidt, stelt namelijk nogal strikte voorwaarden. Een beroep op zelfverdediging komt alleen in aanmerking indien het gaat om ,,een ogenblikkelijke aanranding'' dat wil zeggen een directe aanval of op zijn minst een onmiddellijke dreiging. Iemand die door zijn buurman met een moker in de ene en een stuk ijzer in de andere hand was bedreigd en toen zelf alvast in de aanval was gegaan, werd door de Hoge Raad in 1932 een beroep op noodweer ontzegd.

Helemaal moeilijk ligt een tegenaanval wanneer het kwaad al is geschied, en verdediging omslaat in represaille, het probleem met het optreden van de twee AH-medewerkers in Amsterdam. Een tegenval ,,is vanuit de emoties wellicht invoelbaar maar zeker niet te rechtvaardigen'', aldus de Utrechtse hoogleraar C. Kelk in zijn studieboek strafrecht. De belangrijkste beperking is dat de verdediging ,,noodzakelijk'' is, zoals de wet het noemt. Noodweer is niet geoorloofd wanneer men voor het gevaar kan vluchten.

En als vluchten dan niet meer kan, mag niet worden gekozen voor een te zwaar verdedigingsmiddel. ,,Nooit is bedoeld dat iemand die in de verte een jongen zijn appels en peren ziet stelen, deze zou mogen doodschieten'', zei minister Modderman bij de parlementaire behandeling van het wetboek van strafrecht uit 1886. De wet erkent wel dat de emotie iemand in nood zo te machtig kan worden dat hij doorschiet in de verdediging (noodweerexces), maar de rechter is daar zuinig mee.

Het onderscheid tussen toegestane en ongeoorloofde zelfverdediging is lastig te bepalen. Zelfs niet voor de politie, die daarin toch getraind is. Befaamd werd de zaak Meta Hofman uit de jaren tachtig. Een jonge agent werd in een woning bedreigd door een vrouw met een aardappelschilmesje, pakte zijn pistool om haar af te schrikken, werd aangevallen, voelde zich ingesloten en loste van dichtbij een dodelijk schot. Ondanks de vraag over de proportionaliteit – pistool tegen keukenmesje – werd een beroep op noodweer door de Hoge Raad gehonoreerd.

Kort te voren was het hoogste rechtscollege daar echter niet mee akkoord gegaan in het geval van een polite-agent die een agressieve man achtervolgde om hem te arresteren. Toen de man opeens omkeerde en met een mes op de agent af kwam, had deze een (niet-dodelijk) schot gelost.

Het verschil in uitkomst van twee zo vergelijkbare zaken wekt gemakkelijk wrevel bij politie en publiek. Een belangrijke verklaring ligt echter in de aard van de strafrechtspraak. De strafrechter moet altijd achteraf oordelen en dan kunnen ogenschijnlijk kleine verschillen in de feitelijke omstandigheden nu net de doorslag geven.