Niveau drugsdebat is bedroevend

Het is de hoogste tijd dat in het debat over het drugsbeleid valide argumenten de boventoon gaan voeren in paats van luie dooddoeners, menen Peter Cohen, Freek Polak en Jan G. van der Tas.

Hoe bedroevend het met de kwaliteit van argumenteren is gesteld als het om drugsbeleid gaat, lieten super-Procureur-Generaal de Wijkerslooth de Weerdesteyn en Paul Witteman horen in de uitzending van Buitenhof op zondag 6 oktober j.l. Zij bespraken de oproep van rechter Gisolf om drugszaken uit het strafrecht te halen. De super-PG noemde drie argumenten om aan te tonen waarom dat niet kan: 1. Wij zijn met handen en voeten gebonden door de internationale verdragen; 2. Die drugshandelaars gaan na legalisering over op andere illegale activiteiten; 3. We kennen de gevolgen van legalisering niet. Witteman wist hiertegen niets in te brengen, een indruk van onweerlegbare argumenten achterlatend, terwijl het niet meer dan de bekende luie dooddoeners zijn.

De reden waarom Gisolf bepleitte drugs uit het strafrecht te halen, de verlammende werking die de eindeloze toevloed van drugszaken heeft op de rechtshandhaving en rechtspraak, is niet de enige reden waarom het hoog tijd is om ons te bezinnen op het drugsbeleid. De `drugsoverlast' die veel mensen in armere buurten ondergaan blijft maar doorgaan, of wordt op zijn best verspreid. Deze ellende is vooral een gevolg van het drugsverbod, niet van het gebruik op zich. Er komen verkiezingen aan; in april 2003 zal het VN-drugsbeleid geëvalueerd worden, en in het normen- en waardendebat kunnen we moeilijk om het onderwerp heen.

Formeel is Nederland met handen en voeten gebonden door de internationale verdragen, zoals het eerste argument luidt. Maar het is niet onmogelijk om slechte verdragen te wijzigen, of zelfs op te zeggen – verdragen die een logische en zinvolle ontwikkeling van ons drugsbeleid blokkeren, en bovendien wereldwijd enorme schade aanrichten. Het eerste dat nodig is: afstand nemen van het idee dat er één systeem moet zijn voor de regulering van de drugsmarkt, en dat het enige denkbare systeem een totale prohibitie is, die globaal en uniform moet worden toegepast. Bij het zoeken naar een alternatief voor het falende – en tot falen gedoemde – Amerikaanse drugs-prohibitionisme, mag het denken niet bij de Nederlandse grens ophouden met een beroep op `internationale aspecten'. Nederland is mede-beleidsbepalend en medeverantwoordelijk voor het beleid dat in VN- en EU-verband totstandkomt of – tegen beter weten in – in stand wordt gehouden. Dat vraagt om bijzondere aandacht van parlement en openbare mening.

Dat een jurist het argument gebruikt: ,,Die drugshandelaars gaan na legalisering over op andere illegale activiteiten'', is haast niet te geloven. Het kan toch geen rechtsgrond voor strafbaarstelling van bepaalde gedragingen zijn dat de `daders' anders iets ergers zouden doen? Alsof de drugsprohibitie een werkgelegenheidsproject is voor criminelen. Na de opheffing van de drooglegging in de VS in 1933 hield ongeveer eenderde van de op dat moment actieve bootleggers ermee op, eenderde legde zich toe op legale activiteiten, en eenderde ging door met hetzelfde, of ander illegaal werk. Hoe dan ook, een belangrijke vermindering van de omvang van de zwarte handel.

Het is waar dat wij de gevolgen van legalisering niet met zekerheid kunnen voorspellen, maar de gevolgen van het drugsverbod kennen wij terdege. Zie de de gebruikscijfers van Nederland en de VS. Hardere repressie gaat kennelijk niet samen met minder gebruik, maar wel met veel meer gevangeniscellen. Een repressief drugsbeleid kan misschien, en ten koste van enorme maatschappelijke schade, het recreatieve gebruik enigszins terugdringen, maar doet de omvang en ernst van het problematische gebruik belangrijk toenemen. Eén ding is zeker: de zogenaamde drugsbestrijding – die neerkomt op het overlaten van de markt aan criminelen – werkt vooral als aanjager van de illegale drugshandel en maakt gebruik èn misbruik van drugs voor allen gevaarlijker.

In een goed geïnformeerd debat zal van de drie bezwaren van De Wijkerslooth niet veel overblijven. Hetzelfde geldt voor veel andere argumenten die tegen legalisering worden ingebracht. In de afgelopen jaren zijn herhaaldelijk beslissingen genomen die niet gebaseerd waren op een weloverwogen keuze voor de richting van het beleid, maar die vooral ad hoc reacties waren op, meestal overdreven of onterechte, kritiek uit het buitenland. Als men met een beroep op `het buitenland' weigert zijn eigen beleid ten einde te denken, eindigt men met een steeds tegenstrijdiger en moeilijker uit te leggen geheel van maatregelen. Wanneer een duidelijke keuze was gemaakt voor afschaffing van het drugsverbod op langere termijn en op middellange termijn voor herziening van de VN-drugsconventies, in samenwerking met een aantal gelijkgestemde landen, dan had bijvoorbeeld het hele circus rond de bolletjesslikkers achterwege kunnen blijven.

Nu heeft minister Donner anders besloten dan zijn voorganger, maar voorzover zijn overwegingen bekend zijn gemaakt, hebben ze nauwelijks relatie tot een eigen Nederlandse opvatting over het drugsbeleid. In het debat over normen en waarden heeft het drugsbeleid nog niet de aandacht gekregen die het verdient. Ook bij dit onderwerp gaat het echter om een aantal belangrijke waarden: niet alleen om gezondheid en veiligheid, maar ook om bescherming en opvoeding van jongeren, om verantwoordelijkheid van burgers voor zichzelf en voor anderen, en niet in de laatste plaats om de norm dat de overheid haar werk goed moet doen. Voorzover er over deze kwesties wordt gediscussieerd, lopen er steeds argumenten van verschillende aard door elkaar heen. Sommige zijn ethisch, andere praktisch, medisch, sociaal, juridisch.

In de sterk verouderde Nederlandse Opiumwet wordt als reden voor het drugsverbod aangevoerd dat de risico's van het gebruik voor de volksgezondheid onaanvaardbaar zouden zijn. Inmiddels kunnen we weten dat de gevolgen van risicovolle gebruikspatronen beter kunnen worden beperkt door een wettelijke regeling van het aanbod, dan door een verbod. Bovendien zijn voor de meeste gebruikers de gezondheidsrisico's niet onaanvaardbaar.

In enkele landen, en ook voor sommige Nederlanders, lijken ethische overwegingen belangrijker: drugs moeten worden bestreden omdat het gebruik ertoe kan leiden dat (jonge) mensen zich op onwaardige of misdadige wijze gedragen, hun leven verknoeien en in gevaar brengen. Maar ook dit wordt meer in de hand gewerkt door de bestrijding van drugs, dan door het gebruik.

Ook voorstanders van legalisering beroepen zich op morele waarden: zelfbeschikking, persoonlijke autonomie, respect voor of op zijn minst tolerantie van gedrag dat men afkeurt, maar dat niet schadelijk is voor derden. Ze waarschuwen tegen de gigantische collateral damage van de Amerikaanse war on drugs, zoals afbraak van politieke structuur in productie- en transitolanden, verloedering van het rechtssysteem, snelle groei van gevangenisbevolking en een crimineel distributiesysteem, geweld en corruptie, net zoals destijds bij de alcoholprohibitie.

Minister Donner stelde onlangs in de Tweede Kamer dat drugs voor hem vooral een maatschappelijk kwaad betekenen. Hij leek wel toe te geven dat daar nog veel discussie over mogelijk is. Die discussie moet nu eindelijk eens openlijk gevoerd worden, zeker in het kader van de verkiezingscampagnes.

Peter Cohen is als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Drugsonderzoek van de Universiteit van Amsterdam. Freek Polak en Jan G. van der Tas zijn respectievelijk psychiater en werkzaam in de verslavingszorg en oud-ambassadeur alsmede bestuursleden van de Stichting Drugsbeleid.