Laat waarden vrij, maar pak normen aan

Het debat over normen en waarden zal met de val van het kabinet-Balkenende niet verstommen. Er is te veel ergernis en de behoefte aan ordening is groot. De Rotterdamse stadsetiquette kan als voorbeeld dienen, meent Herman Meijer.

Normen zijn andere dingen dan waarden. Ze kunnen bij afspraak totstandkomen en zijn aan situaties gebonden. Waarden zijn grootheden waaraan mensen individueel in absolute of relatieve zin belang hechten en die na het bereiken van de jaren des verstands in het algemeen niet of nauwelijks meer veranderen. Een debat op het niveau van waarden zal niet snel tot operationele conclusies leiden, maar misschien wel tot onderling begrip. Men kan er beter geen verandering in de waardenhiërarchie van verwachten – bijvoorbeeld dat de een de ander ervan kan overtuigen `vrijheid' boven `gerechtigheid' te stellen, of omgekeerd.

Het in één adem noemen van normen en waarden suggereert een vast complex dat bij sommigen wel en bij anderen niet aanwezig zou zijn. Het werkt als een vorm van uitsluiting: kennelijk zijn er mensen die weten en mensen die nog wat te leren hebben. Dit is een verkeerde inzet, die miskent dat er eerst gezamenlijke grond moet worden gezocht om op te bouwen.

Als het de bedoeling van het debat is conclusies voor overheidsinterventie te trekken, dan moet vooropstaan dat het niet de taak van de overheid is zich te bemoeien met het waardensysteem van volwassen staatsburgers. Vanuit welk systeem zou de overheid dit moeten doen? Denk alleen al aan het verschil tussen liberaal en christen-democratisch. En bovendien, hoe zou dit te rijmen zijn met bijvoorbeeld de vrijheid van geweten, van godsdienst?

Als er redenen zijn voor overheidsbemoeienis liggen deze in gebeurtenissen en situaties in het publiek domein. Dan gaat het debat dus over de normen waaraan het daar ontbreekt, respectievelijk die men daar zou moeten afspreken en handhaven.

De behoefte aan normen ontstaat waar sommige burgers anderen hinderen, ergeren of het leven zuur maken. Ze bestaat op straten, in buurten, in het openbaar vervoer en ook bij scholen, sociale diensten en huisartspraktijken. Het gaat om verschillende situaties met de overeenkomst dat de optredende incidenten niet, of niet alleen, met extern toezicht zijn te voorkomen of te verhelpen.

Het lijkt een uitgemaakte zaak dat het bij de te ontwikkelen en te handhaven normen zal moeten gaan om wat ten minste een meerderheid van betrokkenen juist vindt. Toch kan juist dit een punt van debat worden. Het hele normen-en-waardendebat wijst vaak op een behoefte bij sommigen hun normatiek aan anderen op te leggen. Het Rotterdamse stadsetiquetteproject heeft tot nu toe twee lessen opgeleverd, die hier van groot belang zijn.

Ten eerste blijkt het goed mogelijk dat mensen die er verschillende waardensystemen (`culturen') op nahouden gezamenlijke normen ontwikkelen. In de praktijk en ook desgevraagd bleken de participanten op straat- of pleinniveau van die verschillen geen hinder te ondervinden. Doorslaggevend is telkens de mentaliteit: of men met anderen rekening wil houden. Het buitenzetten van vuilnis, het elkaar groeten, het draaien van harde muziek, het helpen of corrigeren van kinderen – over alles zijn afspraken te maken mits die basale grondslag er is, ondanks vaak grote verschillen in levensstijl.

Ten tweede blijkt de handhaving het grote punt. De cruciale regel is dat `mensen het recht hebben elkaar en elkaars kinderen aan te spreken op hinderlijk gedrag'. Op het elkaar niet meer (durven of willen) aanspreken loopt in het sociaal verkeer veel mis.

Is deze hindernis eenmaal genomen, dan is er een basis voor sociale controle. In de Rotterdamse projecten gaat het om sociale eenheden ter grootte van een straat of plein. Daarmee is nog niet bewezen dat zoiets ook kan werken op het niveau van het stadscentrum of het openbaar vervoer.

Op het niveau van straten en buurten wordt het handhaven van de regels, het elkaar met goed gevolg aanspreken, mogelijk gemaakt door het onderhouden en stimuleren van onderlinge contacten. Bij toepassing van het `etiquettemodel' op grotere schaal zullen andere communicatiemiddelen nodig zijn. Hier zal veel, nog meer dan op het kleine schaalniveau, van de overheid afhangen. Het is van groot belang dat de overheid haar kerntaken van ordehandhaving, opsporing en bestraffing adequaat uitvoert, dat ze de publieke ruimte onderhoudt en schoonhoudt, dat ze bewonersgroepen met professionele krachten ondersteunt en dat ze lokale initiatieven in de publiciteit brengt.

Het Rotterdamse stadsetiquetteproject bewijst dat velen willen leren met elkaar rekening te houden, mits een veilige omgeving wordt geboden. Omdat sociaal verkeer te maken heeft met de omgeving waarin het plaatsheeft, zal het debat daarover, wil het praktisch effectief zijn, vorm moeten krijgen in situaties als straat, buurt, plein, school, trein, tram, bus en metro, wachtkamer en postkantoor. Het zal beginnen bij gedrag dat door meer dan een enkeling als problematisch wordt ervaren. Het zal zich rekenschap geven van de samenhang van personen, omstandigheden, middelen en mogelijkheden. Het zal zoeken naar de minimale gezamenlijkheid waarop kan worden gebouwd en naar het maximaal haalbare van onderhoudbare normatiek. Het zal letten op verschillen in rollen van burgers, functionarissen en bestuurders, maar uitgaan van de gelijkwaardigheid die mensen, die met elkaar de samenleving vormen, kenmerkt.

Een lagere of hogere overheid die zich met de normen van de samenleving bemoeit, moet zich rekenschap geven uit wiens naam ze dat doet. Ze kan dat niet veel anders doen dan als een verzameling eveneens verontruste of ook goedwillende staatsburgers met een bijzondere opdracht en voorzien van gemeenschapsmiddelen. Ze zal moeten kiezen voor steun aan degenen die de kwaliteit van het samenleven willen verbeteren, als hun bondgenote. Ze zal zonder vooropgezette ideeën het proces moeten ingaan, behoudens de bedoeling om het `rekening houden met elkaar' te bevorderen. Dan zal als enige categorie die ze niet wil vertegenwoordigen degene overblijven die per se geen rekening met een ander wil houden. Het is van groot belang om dit vast te houden en zo mogelijke andere posities te vermijden, zoals die van de gevestigden tegenover de nieuwkomers of die van de autochtonen tegenover de allochtonen of die van de ouderen tegenover de jongeren of die van de patriciërs tegenover het plebs.

Herman Meijer is voormalig wethouder van Rotterdam en lid van GroenLinks.