Een burenruzie over bomen

De VS en Canada liggen al maanden overhoop over de export van hout. De VS verwijten Canada oneerlijke subsidie. De Canadezen op hun beurt wijzen erop dat de subsidie nodig is om de bossen te beschermen. Een heuse handelsoorlog is het gevolg.

Met gepaste trots geeft Gurinder Hothi een rondleiding door een houtzagerij van Interfor, een bosbouwproducent aan de Canadese westkust. Behendig beklimt hij metalen trappetjes en bruggetjes die kriskras door de fabriek lopen, over lopende banden met gekapt naaldhout. De route voert langs alle stadia die de binnenkomende boomstronken doorlopen tijdens hun bewerking tot verse balken: schillers, scanners, meters, zagen en schaven. De zagerij, in de houthakkersgemeenschap Squamish, in British Columbia, is voorzien van de modernste snufjes. Gekapte bomen worden niet zomaar aan planken gezaagd; met röntgenapparatuur en computers wordt gemeten en berekend hoe uit elke stronk een optimale hoeveelheid bruikbaar hout kan worden gehaald. De apparatuur wordt bestuurd vanuit cabines met beeldschermen. ,,De computer begeleidt de zager'', legt Hothi uit. ,,Hij vertelt de zager wat er in elke stronk zit.''

Normaal gesproken zou Hothi deze uitleg in je oor moeten schreeuwen. Maar deze dag niet, want het is doodstil in de zagerij. Boomstammen en planken liggen er roerloos bij en de ploeg van ongeveer 180 werklieden is naar huis gestuurd. In het jargon van het hoofdkwartier van Interfor in Vancouver gaat het om een production curtailment, een noodgedwongen `productiebeperking'. Voor Hothi betekent het ,,minder brood op de plank voor mijn gezin'', zegt hij somber. ,,Je weet nooit wat er de volgende week met de zagerij gebeurt.''

Ron Sander, manager van de zagerij, bevestigt dat de fabriek moeilijke tijden doormaakt. Meer dan zeven weken heeft de zagerij dit jaar stilgelegen, zegt hij. ,,Normaal produceren we zo'n 90 miljoen board feet aan halfbewerkt hout per jaar. Als het zo doorgaat, komen we dit jaar uit op 40 à 50 miljoen.'' Sander is heel open over de oorzaak van de problemen: protectionisme van de Verenigde Staten, de belangrijkste afzetmarkt voor de Canadese bosbouw. De Amerikanen, zegt hij, behandelen zijn sector met ,,economisch terrorisme''.

Sander doelt op een Amerikaanse handelssanctie die de Canadese bosbouwsector in een crisis heeft gestort: de afkondiging, eerder dit jaar, van forse invoeraccijnzen op Canadees hout door het Amerikaanse ministerie van Handel. Sinds het begin van de zomer wordt een straftarief van 25 tot 27 procent geheven op Canadees hout dat wordt geëxporteerd naar de VS. De maatregel heeft geleid tot een verhitte handelsoorlog tussen Canada en de VS over halfbewerkt hout, ofwel softwood lumber - het materiaal waarmee huizen worden gebouwd.

Het mag vreemd klinken, maar hout - doodsimpel en afgezaagd hout - is het heetste hangijzer in de handelsbetrekkingen tussen de twee buurlanden. Hoewel ze in 1989 een vrijhandelsverdrag sloten en samen de grootste bilaterale handelsrelatie ter wereld onderhouden (dagelijks passeert voor 1,3 miljard dollar aan handelswaar de Amerikaans-Canadese grens), kunnen ze het niet eens worden over Canadese toegang tot de Amerikaanse houtmarkt. Gezien de belangen die op het spel staan - Canada exporteerde vorig jaar 6,1 miljard dollar aan halfbewerkt hout naar de VS en heeft ongeveer een derde van de Amerikaanse markt in handen - lopen de gemoederen hoog op. Zo trekt een Amerikaanse organisatie van bosbouwers fel van leer tegen ,,de Canadese praktijk om gesubsidieerd hout op de Amerikaanse markt te dumpen.'' Aan de andere kant van de grens, waar de bosbouw een van de oudste fundamenten vormt van de economie, spreekt Sanders van een ,,typisch Amerikaanse bullebaktactiek.''

De basis van het conflict is een Amerikaanse beschuldiging dat de Canadese overheid de bosbouw ten noorden van grens subsidieert. De steun zou Canadese producenten een oneerlijk voordeel geven ten opzichte van Amerikaanse bosbouwers. De invoerrechten zijn bedoeld om het effect van die overheidshulp ongedaan te maken. Met succes, zo blijkt: de Canadese houtexport naar de VS is tussen mei en september met 11,4 procent teruggelopen.

Het cruciale punt is dat het niet gaat om directe subsidies, maar om vormen van overheidsinvloed in de Canadese bosbouw die afwijken van het Amerikaanse systeem. In tegenstelling tot de VS, waar overwegend wordt gekapt op land in particulier bezit, kappen Canadese bosbouwers bomen op land van de staat. Het gevolg: terwijl Amerikaanse landeigenaren hun kaphout ter beschikking stellen aan de hoogste bieder, voor een prijs die wordt bepaald door de markt, wordt de prijs van het kaphout in Canada vastgesteld door de overheid. En die, zo zegt de VS, geeft het weg voor een spotprijs, zodat Canadese producenten mooi kunnen concurreren en werkgelegenheid in Canada gehandhaafd blijft.

,,Het probleem is dat de overheid in Canada al het hout bezit'', zegt Scott Shotwell, executive director van de Coalitie voor Eerlijke Houtimport, een Amerikaanse belangengroep gevestigd in Washington. ,,Zij bepalen de prijs en stellen die vast onder de marktwaarde. Het verschil tussen de opgelegde prijs en de marktwaarde is subsidie.'' Volgens Shotwell zijn meer dan honderd Amerikaanse bosbouwbedrijven ten onder gegaan aan de gewoonte van de Canadese overheid om zijn hout niet duur genoeg te verkopen. Daarbij zijn tienduizenden banen verloren gegaan, zegt hij. ,,Wij zijn de dupe van het Canadese beleid.''

De Canadese overheidsinvloed in de sector, hoe diepgeworteld ook, strookt niet met het vrijemarktprincipe van het Noord-Amerikaans Vrijhandelsakkoord (NAFTA), vervolgt Shotwell. Sterker nog, de Coalitie vindt dat Canada er een bosbouwsysteem op nahoudt met communistische trekken - een van de ergst denkbare beschuldigingen in Amerika. ,,De manier waarop Canada zijn grondstoffen beheert en verkoopt is precies hoe het in de Sovjet-Unie werd gedaan'', zegt Shotwell. Wil Canada vrije toegang verwerven tot de Amerikaanse houtmarkt, dan moet eerst het Canadese systeem op de schop, vindt hij.

Wat Keith Rush betreft, manager van de kapoperaties van Interfor rond Squamish, slaat dit argument nergens op. Volgens Rush is het Canadese systeem van bosbeheer gewoon anders dan het Amerikaanse, maar daarom nog niet oneerlijk. Tegen de achtergrond van een sorteringsterrein waar houthakkers van Interfor met ronkende motorzagen boomstammen meten en aanmerken, wijst hij erop dat 95 procent van de bebossing in British Columbia nu eenmaal op overheidsgrond staat. ,,De enige andere plek met zoveel openbaar land is Rusland'', zegt hij, in een wat ongelukkige vergelijking.

Het punt is dat met het onderhoud van openbaar land kostbare verplichtingen zijn gemoeid, zegt Rush. ,,We hebben rekening te houden met een reeks publieke belangen, van economische opbrengst tot bescherming van bedreigde diersoorten en herbeplanting. De particuliere landeigenaar met wie we concurreren hoeft zich alleen maar te bekommeren om de vraag hoe hij de bomen zo snel mogelijk kan laten groeien.'' Met andere woorden, zegt Rush, ,,de manier waarop wij werken, valt niet te vergelijken met de Amerikaanse.''

Over weinig aspecten van de houtruzie zijn beide partijen het eens, maar één ding staat wel min of meer objectief vast: het Canadese bosbouwsysteem omvat een woud van tamelijk draconische regels, die ook nog eens verschillen van regio tot regio. Nergens is het stelsel gecompliceerder dan in de west-Canadese deelstaat British Columbia, verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de Canadese houtexport naar de VS. Zagerijen bieden daar werk aan 35.000 mensen en afgelegen stadjes als Squamish zijn veelal geheel afhankelijk van de bosbouw. De afgelopen decennia zijn allerlei richtlijnen ontstaan om de gevolgen van conjunctuurschokken in de sector te spreiden.

Een voorbeeld dat de Amerikanen doet huiveren is de zogeheten cut control. Daarmee wordt gewaarborgd dat het volume aan kaphout, en dus de werkgelegenheid, enigszins constant blijft. De wet schrijft voor dat bosbouwbedrijven hun kapactiviteiten binnen een zekere bandbreedte moeten houden van het volume waar ze jaarlijks een kapvergunning voor krijgen. Doet een bedrijf dat niet, dan raakt het een deel van zijn kapvergunning kwijt. Dus zelfs als de houtprijzen dalen onder het niveau van wat het kost om het hout te produceren, is het toch van belang om door te blijven kappen en zagen.

,,De regering eist dat er wordt gekapt en verscheept, ongeacht de marktcondities'', zegt Shotwell schamper. ,,Het gevolg is dat er wordt gedumpt op laste van de overheid. Wij vinden dat helemaal verkeerd, en wat ons betreft moet dat veranderen.''

De regering van British Columbia heeft inderdaad voorgesteld om het systeem te veranderen. Volgens Lois McNabb van het Ministerie van Bossen zijn er plannen om marktprijzen een grotere rol te laten spelen bij de bepaling van de stumpage rate, het overheidstarief voor kaphout. En ook de cut control staat ter discussie. ,,We hebben voorgesteld om de minimum-kapvoorwaarde af te schaffen, zodat bedrijven niet verplicht zijn te kappen'', verklaart zij. ,,Het maximum willen we echter vasthouden uit milieuoverwegingen.''

Onderhandelingen zijn dan ook vastgelopen op de vraag hoe ver de perestrojka in de Canadese bosbouw moet gaan om de Amerikanen tevreden te stellen. In voorgaande jaren werden de cultuurverschillen tussen de beide landen afgedekt door enkele malen een vijfjarige overeenkomst te sluiten, waarbij Canada het volume aan houtexport naar de VS `vrijwillig' aan quota bond. Maar daar wilde de Canadese regering niet meer aan toen het jongste akkoord dit jaar afliep, want, zo vindt Ottawa, een vrijhandelsverdrag is een vrijhandelsverdrag. Washington kondigde daarop de invoerrechten af.

Ottawa is tegen de Amerikaanse handelssancties in beroep gegaan bij de Nafta en de Wereldhandelsorganisatie. Volgens de Canadezen zijn de houtaccijnzen een kwestie van ordinair protectionisme, een illegale maatregel om de invloedrijke Amerikaanse bosbouwlobby te beschermen tegen concurrentie van efficiëntere Canadese producenten. De Amerikaanse branche zou de Canadese sector in een kwaad daglicht stellen om zijn eigen marktaandeel op peil te kunnen houden.

,,De hele zaak is kunstmatig opgewekt door de Amerikaanse bosbouwindustrie om hun belangen te dienen'', verklaart Charles Reid, financieel directeur van Canfor, een van de grootste bosbouwproducenten in Canada. De Amerikaanse producenten zijn minder efficiënt dan de Canadese, zegt Reid, maar willen desondanks hun marktaandeel beschermen. ,,Wij hebben zekere concurrentievoordelen, zowel natuurlijk als op het gebied van kapitale investeringen. Wij kunnen het goedkoper.''

Canfor worstelt met de Amerikaanse accijnzen. Het bedrijf, dat werk biedt aan 6.800 mensen en vorig jaar een omzet boPekte van bijna 2 miljard Canadese dollar (1,3 miljard euro), draait op volle toeren en probeert productiekosten te drukken. Het bedrijf gokt erop dat de uiteindelijke tarieven lager zullen uitvallen, wanneer arbitragepanels zich erover hebben uitgesproken - en dat het dan een deel van de betaalde accijnzen terugkrijgt.

In de tussentijd kost de handelsbarrière Canfor echter honderden miljoenen dollars, zegt Reid. Canfor heeft daarom een forse schadeclaim ingediend tegen de Amerikaanse regering bij de Nafta wegens ,,willekeurige en onredelijke'' behandeling. Volgens hoofdstuk 11 van het Vrijhandelsakkoord kan een bedrijf in de zone geen voorkeursbehandeling krijgen over een ander. Canfor eist een schadevergoeding van ten minste 250 miljoen Amerikaanse dollar.

Reid erkent dat de ondoorzichtigheid van het bosbouwstelsel de Canadese zaak geen goed heeft gedaan. ,,De regels zijn krankzinnig,'' zegt hij, verwijzend naar het voorbeeld van de cut control. ,,Puur zakelijk en economisch bekeken zou je het niet zo aanpakken.'' Canfor is, als een van de grootste bosbouwproducenten, een sterk voorstander van deregulering van de sector.

De Amerikaanse handelssancties zijn echter onterecht, voegt hij er onmiddellijk aan toe. ,,Uiteindelijk moet je het aan de kostenstructuur van de beide sectoren overlaten om te bepalen wie welk aandeel van de markt krijgt'', aldus Reid. ,,We zouden vrijhandel moeten hebben tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico. President Bush heeft het over vrijhandel. Ons standpunt is: laten we inderdaad vrijhandel bedrijven.''

    • Frank Kuin