Dag D66?

Een ruzietje bij D66. Sommige leden, onder hen drie kandidaten voor de Tweede Kamer die op 15 mei niet verkozen werden, vinden en schrijven dat partij- en fractieleider Thom de Graaf bij de komende Kamerverkiezingen (22 januari) niet opnieuw lijsttrekker moet zijn. Onder hem verspeelde de partij, na een tweede periode van vier jaar als regeringspartij, de helft van haar aanhang en als oppositiepartij lukt het sindsdien in de opiniepeilingen niet om ook maar enigszins te profiteren van de crisis in het kabinet-Balkenende en het uiteenvallen van de Lijst Pim Fortuyn. Wegens gebrek aan succes moet De Graaf dus weg, is de redenering van de critici. De Graaf beraadt zich nog op zijn positie, liet hij gisteren weten, wat misschien een nette manier was om te zeggen dat hij eerst eens wil nagaan hoever de armen van zijn critici reiken.

Het Binnenhof schudt nog niet op zijn grondvesten. Want om een echte ruzie, voorzover die binnen een nette club als D66 überhaupt voorkomt, gaat het niet eens. De lijsttrekker van de partij wordt immers door het bestuur voorgesteld aan de leden en elk lid heeft het recht om met een kritische mening aangaande de ene of de andere kandidaat-lijsttrekker het partijbestuur te beïnvloeden. En ook een oproep van critici om straks geen van de zittende Kamerleden van D66 meer op een verkiesbare plaats te zetten, valt hoewel hij radicaal klinkt in de rubriek Beïnvloeding. Het zijn immers de leden van D66 die stemmen over de namen en de volgorde van de Kamerkandidaten van de partij voor 22 januari, en die stemming moet nog komen. En het mag de vraag heten of een oproep om alle kandidaten die een half jaar geleden nog goed genoeg werden bevonden alsnog mee te geven aan de politieke vuilnisman wel zo geloofwaardig is. Maar dat moeten de leden van D66 zo meteen zelf weten.

Dat partij-interne ruzietje in de op 15 mei door kiezers drastisch verkleinde ruimte van D66 is wèl interessant omdat het met enige vertraging nu toch nog dwingt tot een debat dat op de avond van de laatste verkiezingsdag beëindigd werd voor het echt was begonnen. Een debat namelijk over de vraag of een partij die onder een bepaalde lijsttrekker haar fractie in de Tweede Kamer gehalveerd ziet wel verder moet met zo iemand als politiek leider. Wie zich die avond nog herinnert, herinnert zich misschien ook hoe De Graaf op de zware nederlaag reageerde. Namelijk door zich onder het motto: Wij zijn veel beter dan de kiezers weten vrijwel direct en onder applaus beschikbaar te verklaren voor voortzetting van zijn partijleiderschap. De eerste man van de partij die zich graag als de kampioen van de politieke duidelijkheid ziet, zei niet: Ik neem mijn verantwoordelijkheid en stap op. Nee, hij zei: Ik wil wel blijven, wij zijn gelukkig geen koppensnellers. Dag Melkert, dag Dijkstal, riep hij zijn wegens hun zware nederlagen wèl vertrekkende collega's van PvdA en VVD als het ware toe. En dan kun je daarna geregeld pleidooien houden voor de democratisering van dit en een referendum over dat, maar her en der blijft dan toch die wel heel snelle en soepele politieke verwerking van een zware verkiezingsnederlaag in herinnering. Zo gezien is het, wat hun drijfveren ook mogen zijn, niet gek dat sommige D66'ers vijf maanden later de onverwachte gelegenheid te baat nemen om alsnog een echt debat te krijgen over het politieke leiderschap van hun partij. In zo'n debat mogen de herinneringen ook best nog wat verder teruggaan. Bijvoorbeeld naar 1998, toen D66 ondanks een verlies van tien zetels (van 24 naar 14) besloot om regeringspartij te blijven zonder dat zoiets nodig was voor een paarse meerderheid. Want waar D66 in haar geschiedenis bijna altijd (grote) schade opliep als coalitiepartij, deed zij het als nuchtere (redelijke) oppositie doorgaans goed. Wat dat betreft zou die beslissing van 1998 om ondanks een negatief kiezersoordeel regeringspartij te blijven wel eens de grootste strategische vergissing van de partij kunnen zijn geweest. Toegegeven, zo'n conclusie valt vier jaar later veel gemakkelijker te trekken, maar de Democraten kenden hun eigen geschiedenis in 1998 toch ook? En was het destijds niet ook al merkwaardig dat Els Borst, die als lijsttrekker de eerstverantwoordelijke was voor een zware electorale nederlaag, vervolgens als min of meer apolitieke vice-premier toetrad tot het tweede kabinet-Kok? Of, anders gevraagd, is de verhouding tussen D66 en de politieke duidelijkheid niet al wat langer vertroebeld?

In een ontzuilend Nederland, dat economisch al aardig op orde was geraakt en bovendien een mooie gasbel had ontdekt, en waarin allerlei sociaal-economische en andere verdelingsvraagstukken op de agenda kwamen, verscheen D'66 36 jaar geleden op de markt onder leiding van een enthousiasmerende jonge verschijning als Hans van Mierlo. Weg met de verouderde, negentiende-eeuwse ideologieën van de oude partijen en het zo onduidelijke kiesstelsel met zijn volle evenredige vertegenwoordiging en zijn mistige kabinetsformaties. Dat was de boodschap van een partij die onder meer de gekozen minister-president en invoering van een districtenstelsel als breekijzers naar vernieuwing in haar bagage had. Het destijds regerende kabinet-De Jong (1967-'71) ving de eerste klap op met de instelling van een staatscommissie Grond- en Kieswet, die gepland of niet een zekere ijskastwaarde had.

Onder leiding van Van Mierlo, later van Jan Terlouw, vervolgens weer van Van Mierlo beleefde de partij in volgende decennia een reeks soms hevige ups en downs. Zij raakte eenmaal klinisch dood, namelijk toen haar leden besloten tot opheffing met een meerderheid die reglementair net niet groot genoeg was. En zij werd bovendien, terwijl zij gaandeweg met de bevolking verouderde, steeds `gewoner'. In de taaie Nederlandse polder is weinig terechtgekomen van de geproclameerde staatkundige vernieuwing terwijl de ontideologisering van de samenleving en de politiek nu zó ver gevorderd is, door andere invloeden dan die van D66 trouwens, dat overal over herbezinning wordt gedacht of gesproken. Reden waarom D66 wellicht ook eens een andere dan de lijsttrekkersvraag op de agenda zou kunnen zetten. Namelijk de vraag: hebben wij nog iets dat anderen niet hebben en waarvan de kiezers voldoende gediend zijn? Subsidiair: Zijn we nog wel zo nodig als we ooit dachten?