Utrecht

Zondagmorgen riep de gruwelijke plicht in de vorm van een congres van Leefbaar Nederland in Utrecht. Ik had de oprichting van die partij meegemaakt, nu wilde ik ook bij de afbraak aanwezig zijn. Een chroniqueur verzaakt nooit, tenzij hij verkouden is.

Op pad dus. De wind was al stevig opgestoken, maar de NS gaf nog geen krimp en bracht me keurig op tijd naar Utrecht. Terwijl de aanwakkerende wind aan de voorgevel van C&A begon te rukken, trof ik in een zaaltje even verderop een groep hevig ruziënde partijgenoten. Wat moest er met Jan Nagel, een van de oprichters, gebeuren? Hij wilde een nieuwe partij oprichten. Was dat geen verraad?

Het leek mij een overbodige vraag, maar de meerderheid liet zich 's middags toch nog gemakkelijk ompraten door het bestuur en Nagel zelf. Ik kon naar huis. Het lot van Leefbaar Nederland was bezegeld. Wie geen scheurmakers durft aan te pakken, verliest zijn bestaansrecht.

Inmiddels heerste op het station van Utrecht de chaos met straffe hand. Voorlopig geen treinen en bussen. In de stationskiosk keek ik even in de nieuwe Oek de Jong: opvallend veel uiterst vochtige liefdesscènes. Toen ging ik maar, mijn natte ziel onder de arm, op de Oudegracht een bioscoopje pakken, Road to Perdition, een film waarin het ook al veel stormt en regent niet helemaal geschikt dus om de zinnen te verzetten.

Tegen zevenen verwelkomde de NS me met de mededeling dat er na achten helemaal geen treinen meer zouden vertrekken alsof dat vóór achten wel het geval was geweest. Ik liep naar de taxistandplaats waar ik op een lange, Marokkaanse jongen stuitte die ,,Amsterdam! Amsterdam!'' riep. Dat leek me een goed idee. Voor zestig euro wilde hij me meenemen. In zijn taxi zaten twee van zijn Marokkaanse vrienden en er schoof ook nog een jong Marokkaans paartje binnen. Ik mocht op de voorbank.

De conversatie speelde zich het eerste kwartier louter in het Marokkaans af. Veel grappen en geproest. De lange chauffeur, die slecht Nederlands sprak, zette keiharde Marokkaanse rockmuziek aan en keek me af en toe plagerig aan.

Ik begon me op een onbehaaglijke manier buitenstaander te voelen en pleegde een inbraak in hun wereldje. Hielden ze ook van Amerikaanse popmuziek? Jazeker! Wilde ik dat horen? Daar kwam de hiphop al aan.

,,Ik ben journalist'', zei ik, ,,en ik was vandaag op een vergadering van Leefbaar Nederland. Zegt dat jullie wat?''

Beet! Een van de jongens op de achterbank bleek goed Nederlands te spreken. ,,Dat is die partij tegen de buitenlanders, die partij waar Fortuyn begon'', zei hij. ,,Maar ze hebben nog maar een paar zetels, het gaat de goede kant op, al die partijen verdwijnen.''

,,Waren jullie erg bezorgd?'' vroeg ik.

,,Natuurlijk'', zei hij. En na een korte stilte: ,,Heeft u die single over `kut-Marokkanen' al gehoord, meneer? Moet u doen! Leuke tekst!''

,,Journalist?'' riep de chauffeur naast me. ,,Amsterdamse politie alleen Marokkaanse chauffeurs bekeuren! Daarover schrijven!''

Ik beloofde dat ik mijn best zou doen, maar ik had het vermoeide gevoel dat ik voor vandaag genoeg had gedaan om de multiculturele kloof te overbruggen.

    • Frits Abrahams