Spijt van martelingen

,,Ik ben een soldaat en ik gehoorzaam'', zo vatte de afgelopen zaterdagavond op 94-jarige leeftijd overleden Franse generaal Jacques Massu zijn leven eens samen. Behalve blijk van een later omstreden opvatting van zijn taak waren die woorden ook bron van persoonlijke spijt. Spijt, omdat martelpraktijken onder zijn leiding eerder regel dan uitzondering waren geweest tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog in de jaren vijftig. Twee jaar geleden erkende hij in een interview in dagblad Le Monde dat martelen ,,geïnstitutionaliseerd'' was in Algerije, volgens hem ,,het ergste dat er bestaat''.

Anders dan zijn collega, oud-generaal Paul Aussaresses, enkele maanden later beweerde, zei Massu dat martelpraktijken ,,niet onmisbaar in een oorlog'' zijn. Aussauresses gaf in een boek toe gemarteld te hebben en weigerde daarvoor rouw te betonen. Massu was er voorstander van dat Frankrijk zou erkennen dat er gemarteld is in Algerije en dat alsnog zou veroordelen. Dat zou in zijn ogen ,,vooruitgang'' zijn, want ,,martelen is moreel gezien verwerpelijk''. President Jacques Chirac, die Massu dit weekeinde prees als een ,,groot soldaat [...] die zijn verantwoordelijkheid altijd met waardigheid, moed en eerlijkheid onder ogen had gezien'', heeft die officiële erkenning en veroordeling altijd van de hand gewezen. Volgens hem is dat de taak van historici.

Massu heeft, zoals president Chirac ook in herinnering bracht, meegedaan ,,aan iedere strijd van het hedendaagse Frankrijk''. Hij vocht tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van generaal Leclerc, en direct daarna in Indochina. In 1957 en 1958 was hij verantwoordelijk voor de ordehandhaving in de Algerijnse hoofdstad Algiers, waar de onafhankelijkheidsbeweging FLN voortdurend terroristische aanslagen pleegde. In die periode werd hij door president Charles de Gaulle tot generaal bevorderd. Later viel hij in ongenade bij De Gaulle wegens kritiek op diens beleid in een Duitse krant.

Het was niet de laatste keer dat Massu in moeilijkheden kwam omdat hij geen blad voor de mond nam. Niettemin zocht De Gaulle zijn toevlucht bij zijn ,,trouwe kameraad'', op diens legerbasis in het Duitse Baden Os, in mei 1968, toen in de Franse hoofdstad opstanden van studenten en arbeiders uitbraken in het kader van de democratiseringsstrijd. Na terugkeer in Parijs van zijn geheime, maar legendarische vlucht, per helikopter, slaagde De Gaulle erin de orde te herstellen. Na zijn terugtreden uit de actieve dienst schreef Massu enkele boeken over de oorlogen waarin hij had meegevochten.