Het lied van de kosmopoliet

Marcel Desailly speelde onlangs zijn honderdste interland voor Frankrijk. De aanvoerder symboliseert het multiculturele gelaat van `Les Bleus'. Zijn persoonlijkheid herbergt vele kamers.

Hij noemt zichzelf een zwarte man met een blanke huid en is een hardwerkende westerling met een verlangen naar Afrikaanse nonchalance. Hij straalt op en naast het veld vreugde uit en toch wandelt de dood voortdurend met hem mee. De melancholische twijfel om zijn overleden broer beitelde groeven in zijn voor het overige grappige gezicht. Op zijn vierendertigste houdt hij stevig het roer vast van een zichzelf vernieuwende Franse nationale voetbalploeg.

Marcel Desailly beleefde zijn Aha-erlebnis in oktober 2000 toen Frankrijk in Zuid-Afrika speelde en hij ontvangen werd door Nelson Mandela. Het deed zijn negritude ontwaken, dat deel van Afrika dat onuitroeibaar in zijn lichaam genesteld zit. Hij beschouwt Mandela als de opvolger van Martin Luther King.

Hij werd geboren in Accra, de hoofdstad van Ghana (5 september 1968) als zoon van een vader met vier vrouwen. Zijn Afrikaanse naam luidde Odenkey Abbey.

Na een turbulent liefdesleven verhuisde zijn moeder in 1972 naar Nantes. Ze trok in bij haar oude Franse vriend – een leeftijdsverschil van 32 jaar – en voormalige diplomaat in Ghana. Die adopteerde haar vier kinderen en gaf de kleine Odenkey zijn volledige naam: Marcel Desailly.

`Ik werd een zwarte jongen voor een blanke man. Een Afrikaan voor een Fransman', vertelde Desailly later. Hij noemde zijn stiefvader Monsieur. Hij omschreef hem als un homme de coeur: `Hij hield van mijn moeder zoals van een echtgenoot en van mij zoals van een zoon. Marcel Desailly werd mijn echte vader.'

De kleine Marcel Desailly raakte snel in de ban van de bal. Dat kreeg hij als vanzelfsprekend ingelepeld in zijn geboorteland. Het was een uitvloeisel van de filosofie van Kwame Nkrumah, de eerste onafhankelijke president van Afrika. De nieuwe staatsleider van Ghana vermoedde in het voetbal een mogelijkheid tot emancipatie. In het eerste deel van de jaren zestig ontwikkelde Ghana zich tot de trotse leading nation van Afrika, voor het eerst overigens met een volledig zwarte staf aan het roer van het nationale elftal. De Ghanezen omarmden voetbal als hun nationale sport en spiegelden zich aan het Braziliaanse voorbeeld.

De puber Marcel Desailly keek op naar zijn zeven jaar oudere halfbroer Seth Adonkor. Seth brak op zijn twintigste door in het eerste elftal van FC Nantes. Hij verloor zich in het uitgangsleven en versleet snelle wagens tot hij zich met twee vrienden in 1984 doodreed. Voor Marcel stortte de wereld in. `Seth keerde nooit meer terug', vertelt hij tot vandaag. Die ene zin vat alle vertwijfeling samen. Niet alleen de dood van Seth op zich beroerde hem hevig. De confrontatie met de Ghanese wijze van rouwen en afscheid nemen wroette diepe emoties in hem op. Hij begreep de door de vrienden van Seth uitgevoerde Afrikaanse begrafenisrituelen niet. Hij botste met zowel de ogenschijnlijke nonchalance als met de `feestelijke' dans om de dood. `Nooit voelde ik mij meer Fransman dan bij het heengaan van mijn broer.'

De last van het leven confronteerde de jonge Marcel met een zware identiteitscrisis. Twee jaar eerder, in 1982, was ook monsieur Marcel overleden. In het midden van zijn puberteit verloor hij zijn twee rolmodellen. Bovendien bleef er het schuldgevoel: voetbal was zijn leven en hij moest voortdurend opboksen tegen de vooroordelen van zijn ouders. Zijn stiefvader had met lede ogen toegekeken hoe Seth in het verkeerde milieu was gerold. Hij oordeelde dat het voetbal hiervoor de eerste verantwoordelijkheid droeg. Ook moeder voelde niets voor de voetballerij. Marcel dreef zijn zin door en de befaamde Franse jeugdopleiding bood hem een houvast. Dankzij het Centre de Formation dwong hij in 1986 een basisplaats af bij les jaunes uit Nantes.

Intussen keerde hij ook voor het eerst terug naar Accra. Met zeer gemengde gevoelens. Hij ontmoette er na ruim twaalf jaar opnieuw zijn biologische vader. Het contact verliep niet van harte. Marcel was boos op de man waarvan zijn moeder in 1968 was weggelopen, amper enkele weken na zijn geboorte. Na achttien jaar van stilte, leegheid en onzekerheid – zonder één teken van leven – vermocht hij onmogelijk een joviaal contact op te bouwen. Bovendien viel Mister Abbey, zoals hij zich liet noemen, met de deur in huis: of zijn zoon hem niet uit de financiële rats wilde helpen? De Ghanese tradities schreven dit immers voor. Desailly reageerde aanvankelijk verbijsterd.

Na verloop van tijd brak het ijs en trachtte hij, als Fransman, de Afrikaanse swing te begrijpen: hij begon met hen te zingen, op het ritme van de negro-spirituals van Louisiana. Tijdens zijn topjaren zal hij helemaal aan Ghana verslingerd raken. Desailly leerde er de Afrikaanse spiritualiteit waarderen. In Europa bezocht hij nooit de kerk, in Ghana altijd. Het hoorde volgens hem bij de speurtocht naar zijn roots.

In de zomer van 1992 veranderde zijn sportieve leven. De hoog van de toren blazende Bernard Tapie haalde Desailly naar zijn woelige Olympique Marseille. L'OM stevende meteen af op de Champions League, maar na het hoogtepunt volgde de afgrond. Tapie toeterde vals: omkoopschandalen en fraude dwongen hem om Desailly in de herfst van 1993 te verkopen aan AC Milan. In Italië botste hij onmiddellijk met het rabiaat racisme vanaf de tribunes: Desailly, de aap; Desailly, de wilde. Hij week niet en stond openlijk en langdurig te applaudisseren voor het vak van de fascistische fans en noemde hen nadien in de pers de `koningen van de zwijnen'.

Desailly beleefde zijn beste jaren in Milaan. Hij liet zich bedwelmen door het driemanschap Silvio Berlusconi, Fabio Capello en Franco Baresi. Hij voelde zichzelf een echte milanista. Hoewel de politieke alliantie van Berlusconi met radicaal-rechtse partijen hem tegen de borst stootte, adoreerde hij de populistische voorzitter wegens de overtuigende wijze waarop hij AC Milan naar de wereldtop voerde.

Intussen had Marcel Desailly met Frankrijk de wereldtitel gewonnen. Hij gaf zich helemaal over aan het nieuwe imago van les Bleus, dat een sociologische onderbouwing meekreeg: de generatie van black-blanc-beur. Het multiculturele elftal vormde een mozaïek van origines en levensgeschiedenissen en gaf ook de mensen uit les banlieus de kans om fier te zijn op hun afkomst.

Desailly hekelde bij relevante gelegenheden openlijk elke vorm van extremisme en intolerantie. Hij voerde het woord namens de Franse nationale ploeg toen die bij de jongste Franse presidentsverkiezingen haar stem bijzonder scherp liet klinken tegen Le Pen. Ruim een jaar geleden kraakte de aanvoerder van les Blues evengoed de incidenten af die Algerijnse moslimfundamentalisten veroorzaakten tijdens de interland Frankrijk-Algerije. Desailly koelde zijn woede met scherpe uitspraken nadat in Frankrijk wonende Algerijnen de ceremonie tijdens de Marseillaisse hadden verstoord. `Onze visie op waarden is totaal verschillend. Dit is koren op de molen van Le Pen. Het werpt een schaduw op de strijd van les Bleus tegen racisme en uitsluiting.'

Marcel Desailly, sinds de zomer van 1998 bij het mondaine Chelsea in dienst, weigert te kiezen tussen blank en zwart, tussen Frankrijk en Ghana. Hij verbindt culturen met elkaar. Hij amuseert zich met zowel de oer-Franse chansonnier Maurice Chevalier als met negro-spirituals. Zonder twijfel wordt hij na zijn loopbaan een geslaagde zakenman. Desailly, zo geeft hij al op zijn website aan, koestert een rotsvast geloof in liberale ondernemersgeest en de vrije markteconomie. Hij legt de verantwoordelijk voor persoonlijk welslagen volledig bij het individu. Tegelijk bestrijdt hij vurig elke vorm van discriminatie en verlangt hij steeds meer naar de ritmevertragende Afrikaanse levenskunst. In die zin verbindt hij, ogenschijnlijk tegenstrijdig, als neoliberaal en antiracist de wereld van Silvio Berlusconi met die van Nelson Mandela. Marcel Desailly vertolkt op zijn eigen manier het lied van de kosmopoliet.