Harold Pinter

Ze kwamen tegen half tien 's avonds. Dierbare vrienden, althans dierbaar in Nederland. Als het weer eens ellendig met me ging, en dat kwam vaak voor, klopte ik bij ze aan. Dan sloeg hij aan het koken en zij aan het schenken. Hij kookte niet slecht, maar zij schonk beter. Ze had van die lekkere grote glazen, lichtblauw van kleur omdat het bij haar interieur paste: goede wijn. Hij gaf daar geen zier om, het interieur. Als er maar veel noten waren in het gerecht, hij geloofde in de gezondheid van noten. En dan moest ik beginnen te praten, terwijl hij nog noten aan het branden was.

Nooit stelde ze de dodelijke vraag: wat is er nu weer? Altijd begon ze over haar plantjes op haar dakterras, wat me danig irriteerde en dat wist ze heel goed.

Eten deed ik nooit veel, nootjes, daar heb ik niet veel mee. En sla, mijn god, wat konden ze een grote kom met gras voor me neerzetten. Met stukjes kaas erin voor de smaak en het bleef smakeloos.

Maar ze hadden goede wijn. Ik mocht beginnen te praten. Hij had de neiging om zachtjes een jazz-plaatje op te zetten en omdat het zijn laatste aanwinst was, was het nooit zacht genoeg. Toen al had ik de wrevel moeten zien, maar als je zo geobsedeerd bent door je eigen problemen, zie je dat soort dingen letterlijk over het hoofd.

,,Vertel'', zei hij dan, want hij hield van sla en nootjes. Zij bleef me strak aankijken en dan had ik liever dat ze ook hield van sla en nootjes.

Ze hebben een raar beroep. Hij is psychoanalyticus die niet in zijn vak gelooft en zij is psychologe en weet alles, en altijd half. De studie psychologie moeten ze verlengen, vind ik, zodat ze meer weten dan de patiënt, maar ze is zo aardig, dat ik zelfs zijn gebrande nootjes op eeet.

,,Vertel'', zegt hij dan, terwijl hij een enorme hoeveelheid gras naar binnen werkt.

Onze gesprekken gingen altijd alsof Harold Pinter ze geschreven had. Nooit werd een zin afgemaakt, laat staan een gedachte. ,,Meer sla?'', vroeg hij weleens. Het ging om trivialiteiten. Ruzie met een kameraad, verliefd op een te jong meisje, meestal het soort domme liefje dat je in een bar opdoet. ,,Opdoet'', zei ze ze dan, ,,alsof het een ziekte is.''

Maar alle ellende kon gerepareerd, als je de nootjes had weggewerkt, en de enorme hoeveelheid sla, wat ik steevast geitenvoedsel noemde en hij me voor straf nog iets meer gaf.

Toen moest ik het al geweten hebben. Dat ze niet van zijn nootjes hield, evenmin als ik. Maar zij eet om te blijven leven, ik omdat ik denk dat God goede voornemens met ons heeft. Maar ik vergis me vaak. Het ergste vergiste ik me toen ze naar India kwamen. Goede vrienden ontvang je thuis en ik wilde zo gastvrij zijn als zij altijd waren. Alleen hebben ze hier geen wijn.

Sympathieke vrienden brengen drank mee. Hij haalde uit een zwarte tas een plasticfles vol `Chivas Regal' te voorschijn, 12 jaar oud. Ik werd er verlegen van, ik had maar Indiase whisky, niet eens de goedkoopste, `Blenders Pride'.

Kleine, simpele glazen, en toch was de `Chivas Regal' snel op. `Blenders Pride' opengedraaid, en zal ik er iets bij vertellen? Ik drink geen whisky. Niet meer. Ik ben verslaafd geweest en hij van de nootjes heeft mij pillen gegeven waar je echt nooit meer whisky van lust. Ook geen goede wijn, hier toch onverkrijgbaar. Ik drink dus water aan de lange eettafel, terwijl de ventilatoren loeien.

En voor het eerst hoor ik waar zij het over hebben. Was ik niet altijd degene met het probleem? Ging ik niet altijd naar huis met een stoot aan adviezen die ik op had moeten schrijven? Ging mijn huwelijksgeluk niet bijna naar de bliksem dankzij de weldadigheid die ze zomaar alcohol noemen?

Nu dronk ik dus water. En hij eerst de `Chivas' en daarna mijn goedkope `Blenders Pride'. En ineens wist ik waarom die ontzettend domme slogan dat drank meer kapot maakt dan je lief is, een beetje klopt.

,,Je weet hoeveel ik van je houd'', zei hij. Tuurlijk wist ik dat. Ik omhelsde hem, want dat hoort zo in zulke situaties en ik meende het ook.

Maar ik had hem nog niet losgelaten of hij zei: ,,En je weet hoeveel zij van je houdt.''

Ik ging zitten. Ze keek naar de ventilator met de blik van: toe maar, mijn doorgestudeerde psych, je gaat je gang maar. Ik vulde mijn glas met water.

,,Ik weet niet hoe het met jou zit, maar zij houdt erg veel van je.''

Ze keek nog steeds naar de ventilator. Vijf, tien seconden lang. En toen zei ze: ,,Waarom doe je dit?''

`Blenders Pride' ging weer in het glas en hij deed alsof hij haar niet had gehoord. ,,Je drinkt water, dat is goed. Dat drinken, daar zou je kapot aan gaan.''

,,Waarom doe je dit?'' vroeg ze nog eens.

Ik haalde wat ijs en soda, hoewel hij geen ijs en geen soda in zijn drankje lustte. ,,Weet je waarom je ijs en soda haalt?'' vroeg hij.

,,Godverdomme, waarom doe je dit?'' vroeg ze, en ze keek niet meer naar de ventilator.

,,Omdat hij mijn vriend is, omdat ik trots op hem ben, omdat hij niet meer drinkt'', zei hij.

,,Ik wou dat ik ook trots op jou kon zijn'', zei ze.

Wat nou halen? Nog meer ijsblokjes, nog meer soda?

,,Je vindt dat ik te veel drink.'' Hij zei hij het zo neutraal zoals hij het tegen een patiënt zei. Alleen was hij nu de patiënt.

Toen strekte ze haar hand, met een glas erin. ,,Schenk me wat'', zei ze. ,,Zodat ik tegen hem kan.''

Ik wou dat ik goede wijn in huis had. Of cognac, of iets edelers. Maar de plasticfles `Chivas' was leeg en er was nog een bodempje `Blenders Pride'. En toen deed ik waar ik nog steeds trots op ben. Ik schonk haar water. Ze nam een slok en keek weer naar die ventilator.

Hij wankelde een beetje toen hij zijn schoenen aantrok bij het vertrek, tegen middernacht. Ze keek hem aan met een mengsel van meelij en minachting. Deze twee, dacht ik, houden het lang uit met elkaar.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas