Franse-Duitse deal

Over gebrek aan leiderschap had de Europese Unie eind vorige week even niet te klagen. President Jacques Chirac en bondskanselier Gerhard Schröder namen het heft tot veler verrassing in handen. Als in de beste tijden van de Frans-Duitse `as' dicteerden ze het verloop van de Brusselse top, die ging over de financiering van de EU-uitbreiding met tien kandidaat-lidstaten. Wat Chirac en Schröder precies afspraken was aanvankelijk onduidelijk. Maar toen het stof van de verwarring was neergedaald, bleken beider belangen door een compromis te zijn gedekt. Frankrijk kreeg wat het wilde: een in grote lijnen onveranderd landbouwbeleid tot 2013. Duitsland wilde weliswaar wat het niet kreeg – hervorming van dat beleid – maar kon in ruil daarvoor aan de Midden- en Oost-Europese toetreders laten zien dat het van goede wil is en de onderhandelingen over de uitbreiding niet traineert.

Het nettoresultaat doet recht aan de politieke doelstelling dat de vergroting van de Unie niet in gevaar mag komen door een in wezen technische zaak als de landbouwfinanciering. Dit laat onverlet dat de EU ook de komende jaren vastzit aan een beleid dat een Nederlandse bewindsman ooit omschreef als `stalinistisch': louter door het aanbod gestuurd. De prijs die de EU daarvoor betaalt is niet in euro's uit te drukken. Het vraagstuk van het Europese landbouwbeleid, en dan vooral dat van de directe inkomenssteun aan boeren, wordt alleen maar groter en laat zich ook door dit Frans-Duitse akkoord niet wegmoffelen. Al jaren blokkeert Frankrijk hervorming ervan. Tot internationale ergernis, en niet alleen die van politici en derdewereldactivisten. Ook consumenten hebben reden tot klagen over een kostbaar beleid dat het aanbod centraal stelt en niet de vraag. Het zal Chirac een zorg zijn; hij maakt over de rug van Europa zijn verkiezingsbeloftes waar. Maar een keer gaat dit wringen en komt het opgepotte ongenoegen over de Franse blokkades naar buiten.

De top van EU-staatshoofden en regeringsleiders in Kopenhagen, midden december, kan kort zijn. Nu de landbouwfinanciering is geregeld, mag het definitieve besluit over de uitbreiding met champagne worden beklonken. Nederland kan constateren dat het in Kopenhagen niets meer heeft in te brengen. Tot kortgeleden hing nog de dreiging van een Nederlands veto in de lucht: alleen EU-uitbreiding als er een akkoord komt over hervorming van het landbouwbeleid. Dat alles is geschiedenis. Nederland heeft vorige week in Brussel een succesje van precies één procent geboekt. Op voorspraak van premier Balkenende gingen de regeringsleiders ermee akkoord dat het EU-budget voor landbouw na 2006 met niet meer mag groeien dan met 1 procent per jaar. Het was een kleine triomf, waarachter grote dramatiek schuilt. Net als in 1999 op een EU-top in Berlijn liet Duitsland Nederland vallen toen het moest kiezen tussen Den Haag en Parijs. Verwonderlijk is het niet, maar het geeft te denken. Bij welke grote bondgenoot kan Nederland nog aankloppen? Deze ontnuchterende vraag is een opmaat naar het gewenningsproces aan een geringere positie in een grotere Unie.