Chirac koos weg die voor Veerman onbegaanbaar was

De verrassing van de snelle ontknoping op de Europese topconferentie van eind vorige week in Brussel betrof meer de snelheid dan de aard van de uitkomst. Al in september had de Franse regering laten weten dat zij begrip had voor de politieke onmogelijkheid om Duitsland opnieuw – zoals in 1999 was gebeurd – als grootste nettobetaler voor steeds stijgende landbouwuitgaven te laten opdraaien. In 1999 had de toen nieuwe regering-Schröder, als voorzitter van de Europese Raad verantwoordelijk voor een positief resultaat, weinig onderhandelingsvrijheid. Nederland profiteerde daarvan door de in het regeringsakkoord vastgelegde ambitie van een substantiële vermindering van de nettobetalingspositie meer dan waar te maken. Dat lukte de Bondsrepubliek in mindere mate. En de door beide landen ook nagestreefde hervorming van de Europese landbouwpolitiek werd het kind van de rekening.

Nu was het duidelijk dat Frankrijk bij de uitbreiding van de EU de Duitse gevoeligheden moest ontzien. De meeste waarnemers verwachtten dat dat pas op het laatste moment, in december in Kopenhagen, zou gebeuren, maar Chirac verraste iedereen door er al in Brussel mee te komen. Hij deed dat met een concessie die Frankrijk in 2006 tòch zou hebben moeten doen. Dan moeten namelijk de uitgavenplafonds tot 2013 worden vastgesteld, en wel eenstemmig, zodat Duitsland, en andere gelijkgezinden, een excessieve stijging van de uitgaven kunnen blokkeren. Tevens maakte hij er een demonstratie van dat de Frans-Duitse as de voortgang van de Europese integratie bepaalt. En hij nam het argument weg dat de uit de hand lopende kosten uitbreiding zonder landbouwhervorming onbetaalbaar zouden maken.

Landbouwhervorming als zodanig stond ook helemaal niet op de Brusselse agenda; die ging uitsluitend over de opengebleven hoofdstukken van het toetredingsproces, met name de financiële regelingen. Zo lang de bestaande landbouwverordeningen van kracht zijn, moeten de toetreders die krachtens de toetredingscriteria overnemen, en dat doen zij in dit geval maar al te graag. De Commissie heeft dit nog wat afgezwakt door met een gefaseerde invoering van de inkomenssteun voor de op alle beleidsterreinen geldende regels te komen.

De ironie van de geschiedenis is dat de door Frankrijk gekozen uitweg precies is wat de ongelukkige minister van Landbouw, Veerman, meende te moeten uitproberen toen hij begin september voor het eerst zijn collega's van de andere lidstaten in Denemarken ontmoette en moest vaststellen dat hij met een onmogelijke opdracht op pad was gestuurd. Hem werd duidelijk gemaakt dat de ook door Nederland in 1999 aanvaarde `financiële perspectieven' tot 2006 alle landbouwuitgaven krachtens bestaande verordeningen, ook na uitbreiding met tien landen, afdekten. Dus dat pas de toekomstige uitgavenplafonds, van 2006 tot 20013, greep op de toekomstige landbouwuitgaven zouden kunnen verschaffen.

Bij thuiskomst van Veerman viel iedereen over hem heen, ook de oppositie: hij had in strijd met de toetredingsregels, moeten vasthouden aan géén inkomenssteun voor de toetreders, of desnoods een korte tijd, terwijl in alle lidstaten de inkomenssteun snel zou worden afgeschaft. Anders: desnoods geen uitbreiding! Tot kort voor de top in Brussel schermde nog een enkele bewindsman met het idee een voorbehoud in deze zin in Brussel te formuleren en tot de top in Kopenhagen boven de markt te laten hangen. Premier Balkenende zou dan in Kopenhagen dit zelfgeschapen probleem elegant moeten oplossen.

Dit alles is nu gelukkig voorbij. Daarmee komt hopelijk ook een eind aan de maanden waarin Nederland in Brussel geen serieuze gesprekspartner is geweest, in de illusie dat Nederland eindelijk eens `hard' onderhandelde en een `realistisch beleid' voerde. Het mag dan nog wijzen op de regelingen die nieuwe lidstaten op terreinen waar zij nog niet aan alle eisen voldoen onder een uitzonderingsregime plaatsen (maar dat idee, hoewel zelden vermeld, was al afkomstig van de Europese Commissie), en op de vermindering van de groei van de landbouwuitgaven tussen 2006 en 2013 van 1,5 procent tot 1 procent per jaar. Dat is dan overgebleven van de onderhandelbare eis van afschaffen van landbouwinkomenssteun.

En de echte landbouwhervorming? Die kan en moet nu worden aangepakt, samen met gelijkgezinden en onder druk van de Wereld Handelsorganisatie, langs de weg van Europese Wetgeving en op voorstel van Commissaris Fischler. Belangrijker dan het terugbrengen van de kosten is het loskoppelen van inkomenssteun van de productie, en het verlagen van garantieprijzen. Dàt is wat de wereldlandbouwhandel eerlijker en evenwichtiger kan maken.

Iedere ontnuchterende ervaring heeft ook haar zonzijde. Zo kan men verwachten dat demissionaire bewindslieden, die de ambitie hebben om in een volgend kabinet weer dienaren van de Kroon te worden, zich dan wel zullen wachten om in hun strategisch akkoord grote woorden gelaten neer te schrijven zonder zich rekenschap te geven van de internationale context waarin zij opereren.

Drs. E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal bij de Europese Gemeenschap.

    • E.P. Wellenstein