Zinloos geweld in woorden

Vijf keer persifleerde Paul de Leeuw in zijn tv-programma Anneke Grönloh als dronken slet met een geslachtsziekte: het aloude leedvermaak is nu een middel geworden om de kijkcijfers te verhogen. `Openbaar leedvermaak is een laatste stap in de richting van alles-moet-kunnen.'

In november 1980 kwam Hans Wiegels vrouw Pien om het leven bij een aanrijding met een vrachtwagen. De gebeurtenis leeft in het nationale geheugen voort in het beeld van een schutterige Joop den Uyl die Wiegel probeert te troosten, wanneer deze het voor de camera's te kwaad krijgt. Een houterig armgebaar, een verlegen prevelement – zo gaat men in Holland met andermans leed om.

Tenminste in de generatie waartoe Den Uyl behoorde. Elders waren de reacties minder ingehouden. De week na het ongeluk kwam het Amsterdamse studentenblad Propria Cures met een speciaal VVD-nummer. Op de voorpagina prijkte een stuk van Theodor Holman, waarin grappen als `Pien klapt uit elkaar' (mevrouw Wiegel had in De Telegraaf een rubriek `Pien klapt uit de keuken'), en `een puntige dialoog over de abortuswetgeving: breinaalden of vrachtauto's.'

Elders in het blad werd nogmaals de spot gedreven met de overledene, in een `Hollands Dagboek door Hans Wiegel'. Het stuk werd op de voorpagina aangekondigd als `Exclusief! Pien laat haar richtingaanwijzer zien'.

Behalve Theodor Holman zat ook Beatrijs Ritsema in de toenmalige PCredactie, dezelfde die nu als lieve oudtante vragen over goede manieren beantwoordt in Trouw. Hadden Holman en Ritsema soms iets tegen Pien Wiegel? Natuurlijk niet. Het leedvermaak was weliswaar op haar, maar niet tegen haar gericht. Het beoogde slachtoffer was Hans Wiegel en zijn VVD.

Op het eerste gezicht zou je zeggen dat Propria Cures hiermee het spoor van de beschaving terug volgde. Openbare verkneukeling over andermans dood kennen we uit de tijd van de Franse Revolutie, toen de tricoteuses genoeglijk bij de guillotine zaten te breien, en uit de Middeleeuwen, toen lallend volk zich verdrong als er iemand werd opgehangen.

Maar in feite was PC er juist weer vroeg bij. Openbaar doodsvermaak is sindsdien een trend geworden. In de jaren negentig drong het door in de gevestigde media. Zo publiceerde HP/De Tijd in 1995, toen het zoontje van Monique van de Ven was gestorven, een tekening van Sieb Posthuma: een doodkist met de tekst `Turks spruit'. In 1997 kwam Theo van Gogh in Nieuwe Revu met een humoristisch stuk over de slokdarmkanker van Joop van Tijn, in de week dat deze stierf. En dan had je natuurlijk de act van Robbie Muntz, de lollige Hitlerman, die Weense joden confronteerde met een brallende Führer.

Ook in de stadions maakte het openbaar doodsvermaak school. ,,Van Gaal, waar is je kankerwijf?'', schreeuwden Feyenoorders, toen Ajax-trainer Louis van Gaal zijn vrouw aan deze ziekte verloren had. Ajax-supporters schreeuwden ,,Solingen! Solingen!'', toen Ajax tegen de Turkse club Besiktas speelde, kort nadat in Solingen vijf Turkse vrouwen om het leven waren gekomen door brandstichting. En dan was er het massaal sissen op de tribunes, wanneer de `jodenclub' het veld betrad, met de bijbehorende kreet ,,De joden aan het gas!''

In al deze gevallen was het leedvermaak, net als in het geval van Pien Wiegel, niet bedoeld om de betrokkenen zelf te treffen. Het verdriet waaraan het refereert is toevallig. Mevrouw van Gaal en de vijf vrouwen in Solingen vormden slechts een dankbaar doelwit om anderen te treffen: de tegenstander op het veld.

Hetzelfde geldt voor `de joden', die het moeten ontgelden in de stadions. De spreekkoren op de tribunes zijn anti-joods, maar niet bedoeld om de joodse bevolking te treffen. Het sissen is geen blijk van antisemitisme, maar een ritueel om de tegenstander te ontmoedigen. Het Ajax-elftal telt geen enkele joodse speler meer, maar omdat het nu eenmaal de `jodenclub' is, doen we de gaskamer. Daarmee worden `de joden' niet gediscrimineerd op grond van veronderstelde etnische eigenschappen, maar bespot wegens hun toevallige ervaringen als lid van een etnische groep. Intussen zijn degenen die door het gesis geraakt worden, omdat zij zich herinneren waar dat voor staat, niet op het veld te vinden. Het zijn bejaarde joodse mensen, thuis voor de tv.

Openbaar leedvermaak is altijd een instrument om zelf te kunnen scoren. Aanvankelijk gebeurde dat nog in de oud-Hollandse traditie van het kwetsen met een religieus of politiek doel. Zo scoorde Propria Cures tegen de vermaledijde VVD van Wiegel. Maar tegenwoordig is zo'n doel niet meer nodig. Openbaar leedvermaak is `instrumenteel' geworden. Voetbalsupporters willen met openbaar leedvermaak alleen maar doelpunten scoren. Tv-personalities scoren er kijkcijfers mee.

Exemplarisch zijn inmiddels de items van Paul de Leeuw over professor Smalhout en Anneke Grönloh. Smalhout zagen we in een snelle montage in Adolf Hitler veranderen. De Leeuw zegt niet te hebben geweten dat Smalhout joods is en familieleden heeft verloren in de oorlog. Blijft de vraag waaruit het verband tussen de twee dan wel bestaat. `Heeft' professor Smalhout iets met Hitler? Is hij bijvoorbeeld zo door hem gefascineerd dat hij zijn hele leven al probeert zich in de figuur Hitler te verplaatsen, en het ene na het andere boek over hem schrijft? Nee, dat is Harry Mulisch. Bij Mulisch zou je wel een punt hebben als je hem langzaam in Hitler liet veranderen. Voor professor Smalhout is Hitler voornamelijk iemand aan wie hij niet herinnerd wil worden.

Ook bij de kruistocht tegen Anneke Grönloh krab je je achter het oor. Vijf keer liet De Leeuw haar opdraven als dronken slet met geslachtsziekte. Heeft Grönloh De Leeuw iets verschrikkelijks misdaan? En wat is er in vredesnaam wel niet voorgevallen tussen Beau van Erven Dorens en professor Smalhout? In zijn programma Beau Rivage hakte Van Erven Dorens nog eens extra op Smalhout in, door hem aan een uitgebreide gelaatsvergelijking met Hitler te onderwerpen.

Reden? Die is er niet. Noch met Hitler, noch met Van Erven Dorens `heeft' Smalhout iets. Hij en Grönloh waren argeloze voorbijgangers die toevallig op een fataal moment in het vizier kwamen. Ze stonden bij wijze van spreken nietsvermoedend hun auto te tanken, toen ze door de Washington-snipers van Hilversum werden verrast. Alleen schoot de sniper één keer, terwijl De Leeuw en Van Erven Dorens blijven schieten als hun slachtoffer al op de grond ligt.

Openbaar leedvermaak kwam op in de jaren tachtig en maakte school in de jaren negentig. De slachtoffers zijn daardoor sterk op zichzelf aangewezen. Bij verbaal kwetsen speelt het strafrecht tegenwoordig een ondergeschikte rol. Sinds de jaren zestig wordt dat woordje `kwetsen' tussen aanhalingstekens uitgesproken. Gekwetste gevoelens – dat was iets voor de vrome goegemeente en het klootjesvolk. Tegenwoordig moeten mensen tegen een stootje kunnen en voor zichzelf opkomen. De wetgever is dan ook ruimhartiger geworden in wat verbaal wordt toegestaan.

De verboden op smalende godslastering en majesteitsschennis leiden een slapend bestaan. Ook het verbod op belediging is zo goed als ingedut. Belediging is een klachtdelict: zonder aanklacht gaat het openbaar ministerie niet tot vervolging over. Wel bestaat daarop één uitzondering: als er een vermoeden bestaat van discriminatoire belediging, zoals belediging wegens ras, kan het openbaar ministerie zelf in actie komen. Ook dat is het resultaat van de inzichten uit de jaren zestig en zeventig, toen racisme en discriminatie als een grote maatschappelijke bedreiging werden beschouwd.

Het gevaar werd vooral gezien in de `bedoeling' van de dader. Waren er racistische motieven in het spel? Dan moest er worden opgetreden. Zo niet, dan was het toegestaan. Mr. W.G.C. Mijnssen, officier van justitie voor discriminatiezaken, wees al in 1994 op de gevaren van deze benadering. ,,Wij zijn gepreoccupeerd geraakt met de bedoeling van degeen die zou beledigen of discrimineren'', zei hij in deze krant. ,,We bemoeien ons verhoudingsgewijs weinig met hoe het aankomt bij degenen die het overkomt. Door zwaar aan de bedoeling te tillen, laat men in feite zien hoe erg men discriminatie zelf wel vindt.''

Deze vooringenomenheid roept op zich al vragen op, maar is bovendien notoir slecht toegesneden op de aard van het openbaar leedvermaak. Daarbij gaat het immers niet om racistische of andere bedoelingen, maar alleen om de wil te scoren ten koste van anderen. De maatschappelijke schade schuilt niet in de bedoeling, maar in het effect. Uitingen van openbaar doodsvermaak ontlenen hun vernietigende uitwerking op het slachtoffer aan het pure feit dat ze worden uitgesproken. Het memoreren van de gebeurtenis volstaat.

Openbaar leedvermaak is een vorm van `verbaal vandalisme', zoals Henk Hofland het heeft genoemd. Het is de verbale variant van zinloos geweld. In beide gevallen gaat het om extreem gedrag jegens willekeurige slachtoffers. ,,Bij zinloos geweld bestaat geen redelijke verhouding meer tussen aanleiding en gedrag'', schreef Paul Schnabel in 1998. ,,Als dat meer dan incidenteel het geval is, dreigt ook het sociale leven zelf zinloos te worden. Zodra burgers moeten vrezen dat ze buiten de deur van hun eigen huis vogelvrij zijn, maakt het stilzwijgende vertrouwen dat we elkaar in principe vreedzaam tegemoet treden plaats voor achterdocht en angst.''

Het vanzelfsprekend worden van grootscheeps openbaar leedvermaak heeft een vergelijkbaar effect. Het werkt ontmoedigend op een samenleving, als het normaal wordt dat iemand iets ergs overkomt en iedereen roept: lekker puh! Wat de vrijheid van verbale uitingsvormen betreft is met openbaar doodsvermaak wel ongeveer the limit bereikt. Het is een laatste stap in de richting van `alles moet kunnen'.

En het is een stap te ver, zoals de laatste tijd duidelijk wordt. Burgemeesters treden harder op tegen racistische uitingen in de stadions. Hitlermann Muntz werd door de VPRO kaltgestellt. Paul de Leeuw krijgt straf van de NCRV. In geen van deze gevallen was het justitie die in actie kwam. De wet ijlt na – een grootscheepse verbreiding van zoiets als openbaar leedvermaak was voor de wetgever niet voorstelbaar. Het zijn lokale bestuurders en omroepbazen die hun verantwoordelijkheid nemen.

Past deze nieuwe onverschrokkenheid in het minder vrijblijvende normatieve klimaat sinds de episode-Fortuyn? Opmerkelijk is dat Pim Fortuyn juist het omgekeerde propageerde: mensen kunnen zich best zelf verdedigen als ze verbaal worden aangevallen. Beledigende en discriminerende opmerkingen moeten kunnen, vond hij, zolang ze maar niet aanzetten tot geweld. Fortuyn verwees daarbij steevast naar Voltaire, die opkwam voor ieders recht om zijn meningen te uiten, ook al vond hij die meningen zelf nog zo abject.

Voltaire, Fortuyn...ja, dat waren heren met `meningen' over maatschappelijke kwesties. Goed van de tongriem gesneden, net als de lords in het Britse Hogerhuis, die befaamd zijn vanwege de bloemrijke beledigingen die ze elkaar naar het hoofd slingeren. In die wereld zijn alle begrippen van toepassing die gangbaar zijn in het debat over belediging en discriminatie: `mening', `bedoeling', `racisme'.

In de wereld van het gesis op voetbaltribunes en van het inhakken op willekeurige publieke personen zijn die begrippen zinloos.

Herman Vuijsje is publicist.

Wilt u reageren, mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

    • Herman Vuijsje