Waarheid blijft kwetsbaar in Kosovo

De media speelden een belangrijke rol in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen in Kosovo, vandaag. Een gerucht heet al snel een feit. De gevolgen zijn soms desastreus.

Opnieuw beschuldigt de krant Bota Sot mensen van collaboratie met het voormalige Joegoslavische regime van Slobodan Miloševic. Deze keer zijn de uitgever Blerim Shala en de journalist Baton Haxhiu aan de beurt. Ze zouden voor en tijdens de NAVO-luchtoorlog om Kosovo hebben samengewerkt met de Miloševic' geheime dienst. ,,Deze mannen'', zo schrijft Bota Sot, ,,horen in de gevangenis.''

De aantijgingen werken enigszins op de lachspieren, want beide mannen worden alom gerespecteerd. Blerim Shala onderhandelde namens de Kosovo-Albanezen met de Serviërs in Rambouillet. Baton Haxhiu is een alom geprezen analist. Bota Sot leverde ook geen bewijs voor de collaboratie. Maar dat is geen belemmering; een gerucht is al snel een feit in Kosovo.

Het internationale bestuur in Kosovo, dat op papier nog altijd deel uitmaakt van Joegoslavië, beschouwt Bota Sot als de rotste appel in de mand. ,,Het is altijd Bota Sot'', zegt media-commissaris Anna di Lellio van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE ) in haar kantoor in Priština. De organisatie stelt `richtlijnen' voor de media in Kosovo op. Di Lellio deelt, na beoordeling van ontvangen klachten, boetes uit. De media kunnen tegen die boetes protesteren bij een speciale raad van beroep.

Bota Sot heeft een boete van 22.500 euro amper voldaan of de volgende zijn er al: 7.500 euro en 5.000 euro, onder andere omdat ze twee mannen (met naam en toenaam) heeft beschuldigd van moord, in de zomer van 1999, op vier strijders van het Albanese Bevrijdingsleger UÇK.

Maar geld, zo zegt Di Lellio, is van geen belang voor Bota Sot. De krant is eigendom van een Albanese zakenman in het Zwitserse Zürich en wordt gefinancierd met inkomsten uit de verkoop van advertenties en met geld uit de Kosovo-Albanese diaspora.

Beschuldigingen van collaboratie, meent Di Lellio, zijn heel gewoon na afloop van een oorlog. ,,De Italiaanse en Griekse media hebben na de Tweede Wereldoorlog ook zo'n periode meegemaakt'', aldus de Italiaanse, zelf oud-journaliste. Ze zijn vooral bedoeld om de tegenstander te marginaliseren. Met de gemeenteraadsverkiezingen in Kosovo van vandaag in zicht zijn de beschuldigingen toegenomen.

Die verkiezingen zijn spannend, want de winnaar van de vorige keer, de partij van president Ibrahim Rugova, dreigt het af te leggen tegen de partij van voormalig UÇK-leider Hashim Thaçi. Sinds het einde van de NAVO-luchtoorlog in de zomer van 1999 ging Kosovo twee keer naar de stembus. In beide gevallen, bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 en bij de parlementsverkiezingen in 2001, won Rugova's partij. Maar een groeiend deel van de bevolking vindt dat de partij te weinig heeft gepresteerd. Bota Sot, partijkrant van president Rugova, probeert nu het tij te keren met artikelen over collaborateurs en oorlogsmisdadigers onder diens politieke tegenstanders.

Zulke beschuldigingen kunnen in het onstabiele Kosovo desastreuze gevolgen hebben. Zo beschuldigde de krant Dita ooit drie mannen, onder wie twee Servisch-orthodoxe priesters, van oorlogsmisdaden. Hun namen en foto's verschenen in de krant. Drie dagen later werden twee andere priesters neergeschoten. Een van hen kwam uit hetzelfde gehucht als de door de krant genoemde priesters; de dader had zich waarschijnlijk vergist.

Met seminairs en workshops proberen de internationale gemeenschap en hulporganisaties in Kosovo journalisten in spe het vak bij te brengen; alleen al de OVSE bood dit jaar een krappe vijfhonderd mensen zo'n training aan. Maar het leidt vooralsnog nauwelijks tot betere journalistiek.

Het verleden draagt schuld, zegt Anna di Lellio, want het communistische Joegoslavië kent geen traditie van onafhankelijke en democratische media. Daarnaast hebben de jonge deelnemers aan de workshops weinig onderwijs genoten en hebben de oudere deelnemers nauwelijks ervaring opgedaan. Begin jaren negentig maakten de Servische autoriteiten immers een einde aan het Albanese onderwijs in Kosovo. Tegelijkertijd werden de Albanese journalisten bij de staatsomroep ontslagen. De illegale kranten die daarna werden opgericht, waren nauwelijks onafhankelijk te noemen, ze fungeerden voornamelijk als spreekbuis van de Albanese guerrilla.

Di Lellio is geen voorstander van de korte trainingen. ,,Dat werkt niet'', stelt ze vast. Kosovaarse journalisten zouden langdurig moeten worden getraind, door buitenlandse journalisten die hen de knepen van het vak bijbrengen. Radio Televisie Kosovo, de `staatsomroep' van de regio, is volgens haar hét voorbeeld. Maar daar hebben oud-journalisten van de Britse omroep BBC dan ook gedurende twee jaar op de redactie gewerkt.

Intussen deelt de media-commissaris boetes uit. Voor het ontvangen geld zoekt ze nog een goede bestemming. Ze denkt erover een journalistieke prijs in te stellen om betere berichtgeving te stimuleren.

Over mededinging van de krant Bota Sot is Di Lellio duidelijk: ,,Die komt niet voor de prijs in aanmerking.''

    • Yaël Vinckx