Op zoek naar regie in zorgelijke tijden

Geen van de grote landen in Europa wil of kan een leidersrol spelen, terwijl dat met het grote scala aan problemen nu juist extra gewenst zou zijn. Nu `Europa' niet bestaat als politieke actor, blijft voor ons land weinig anders over dan in de `us versus them' tweedeling achter de VS te gaan staan, vindt Ben Knapen.

Het zijn zorgelijke tijden. Werkloosheid hangt in de lucht, de conjunctuur laat het afweten en de beurzen in de wereld vernietigen kapitaal in een omvang die zijn gelijkenis niet kent. In praktisch alle westerse landen vertonen de pensioenen – de zekerheid van een complete babyboomgeneratie – haarscheurtjes. Overheden zien begrotingstekorten weer toenemen, terwijl juist de toekomstige pensioenlasten een solide staatskas vragen.

Zoals steeds bij trendbreuken, zijn de echte excessen plus de schandpalen die daarbij horen, vooral te vinden in de Verenigde Staten. De exhibitionistische zelfverrijkers van gisteren wandelen vandaag in handboeien door de nieuwsrubrieken, en de woorden tough en transparant liggen alle parlementariërs voor in de mond. Nergens ook is de sociale economie zo uit de hand gelopen. De inkomens- en vermogensverschillen zijn groter dan ooit sinds 1929, en de representativiteit en de kracht zelf van de democratie staan onder druk. Weliswaar is de keerzijde hiervan dat waarschijnlijk nergens zozeer de vaardigheid bestaat om zulke ontwikkelingen te corrigeren, maar ervaringen uit het verleden leren dat daarmee zomaar anderhalf decennium gemoeid kan zijn.

Sociale en economische onzekerheden gaan gepaard met verloren houvast over politieke cultuur, over democratie en burgerschap. Door het vaak bizarre discours daarover loopt in elk geval één rode draad: verwarring over stijl, toon, omgangsvorm alom, op basis van het feit dat niemand ouderwets wil zijn en niemand weet wat modern is. Babbelshows varen er wel bij.

De grootste zorg in zorgelijke tijden betreft de regie. Nooit eerder in de periode na de Tweede Wereldoorlog was deze in Europa zo volstrekt afwezig als op het ogenblik. Noch Duitsland, noch Engeland of Frankrijk zijn in staat of bereid een Europese leiderschapsrol op zich te nemen.

Grote verwachtingen mochten dertien jaar geleden nog worden gekoesterd over Duitsland. Het land had zich als een stabiele voorbeeld-democratie ontwikkeld, het had zich dankzij Willy Brandt ook met de sociaal-democratie verzoend, en het had ten tijde van het uitéénvallen van Oost-Europa dankzij Helmut Kohl geen misverstand laten ontstaan over de vraag waar een verenigd Duitsland thuishoort, namelijk in het westen. Een land met meer dan tachtig miljoen inwoners, bijna de helft van het totale bruto sociaal product van de Europese Unie en gelegen in het centrum van het Europa-in-wording. Hoe logisch was een geleidelijke groei van Duitsland naar Europees leiderschap niet geweest.

Daarvan is niets terechtgekomen. Binnenlandse vraagstukken hebben het land geabsorbeerd op een wijze die de generatie van naoorlogse Duitse leiders niet voor mogelijk had gehouden. Allereerst was er een begrijpelijke time-out voor buitenlandse belangstelling vanwege herenigingskrampen – een diep-insnijdende psychologische worsteling waar het buitenland over het algemeen maar amper de moeite voor deed om het te begrijpen, laat staan: er veel begrip voor op te brengen.

Vervolgens was er een kort intermezzo van nieuwe buitenlands-politieke verantwoordelijkheid, waarbij troepen naar Kosovo gingen en vredesmissies elders mogelijk werden. Maar bij de opstekende economische tegenwind viel de Duitse politiek terug in de verlamming van de dagen van Helmut Kohl. Generatiewisselingen bij werkgevers- en werknemersorganisaties hebben ertoe geleid dat van de naoorlogse gedragenheid waarmee zulke organisaties zich mede voor stabiliteit en democratie verantwoordelijk achtten, niet veel meer over is gebleven. Het is belangenbehartiging op de eigen vierkante meter geworden. Beide hechten aan hun bestaande corporatistische privileges en beschouwen de buitenwereld – d.w.z. Amerika – zonder veel nuances als een wereld van sociale kaalslag. Verbale radicaliteit tegen elke aanpassing op het gebied van werkloosheid, contract-flexibiliteit, pensioenverantwoordelijkheden en risico's in de gezondheidszorg halen vervolgens de economische dynamiek van Duitsland en daarmee van Europa verder naar beneden dan goed is.

De aanloop naar de Duitse verkiezingen hebben dit proces schoksgewijze naar de oppervlakte gebracht. Nooit eerder sinds de oorlog stelde een Duitse bondskanselier zo ongegeneerd de relatie met 's lands belangrijkste bondgenoot, de Verenigde Staten, in de waagschaal, enkel en alleen om de verkiezingen te winnen, of zoals een Duits weekblad het omschreef: ,,nooit eerder verkoos een kanselier zo demonstratief eigenbelang boven landsbelang.'' De ondubbelzinnige afwijzing plus gratis belediging aan het adres van de Amerikaanse president in de kwestie Irak, smeet een deur dicht die niet zo gemakkelijk meer valt te openen en die Schröders positie in Europa heeft verzwakt.

Deze positie hangt mede af van de wijze waarop de Duitse rood-groene coalitie sociaal-economische hervormingen ter hand zal nemen. De voortekenen zijn buitengewoon ongunstig: de verkiezingsoverwinning van Schröder is veel te krap om impopulaire maatregelen te kunnen nemen. Een paar dissidenten zijn genoeg voor zand in de machine, en met altijd weer terugkerende deelstaatverkiezingen en een oppositionele meerderheid in de Bondsraad is er minimale ruimte voor een doorbraak.

Voeg dit perspectief bij de betrekkelijk bruuske manier waarop de bondskanselier het nota bene door Duitsland destijds zo zwaar opgetuigde Stabiliteitspact voor de voeten liep, dan is de conclusie dat van Berlijn weinig Europese regie kan en mag worden verwacht. Misschien is de nieuwe naar-binnen-gerichtheid wel veel meer onderdeel van de Duitse normaliteit dan velen zich bij de val van de Muur hadden kunnen realiseren. De andere Europese landen zullen dit verschijnsel in hun coördinatenstelsel een plaats moeten geven.

Andere Europese regisseurs dienen zich niet aan. Even leek de Britse premier Tony Blair met zijn nieuwe pragmatisme een voortrekkersrol in Europa te kunnen spelen, maar deze machinerie van bevlogenheid en public relations is allang tot staan gekomen. Voor een leidersrol deelt Groot-Brittannië met het Europese vasteland te weinig samenbindende belangen; het is geen lid van de euro-groep en in de speciale band met het Witte Huis celebreert de Britse premier eerder een kruisvaardersrol in de wereld, dan een leidersrol in Europa. Morrende Britten in wachtkamers en op stations illustreren intussen dat het ijs waarop wordt geschaatst ook daar vrij dun wordt.

In Frankrijk is in elk geval een heldere politieke groepering aan de macht. De cohabitation is voorbij. De opvattingen van president Chirac over de Amerikaanse Alleingang in Irak komen vermoedelijk vrij dicht bij het standpunt van vele Europeanen: eerst de Veiligheidsraad, dan de inspecties en pas bij gebleken onwil, chicanes of sabotage, een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad met het groene licht voor geweld tegen Irak.

Maar is Frankrijk daarmee het samenbindende element in Europa? Dat lijkt uitgesloten. Bij zo'n rol hoort een zekere ruimhartigheid en die ontbreekt ten enenmale. Om de verkiezingen te kunnen winnen heeft president Chirac glasharde beloftes gedaan die even zo glashard Europese afspraken over begrotingsevenwicht schenden. De toegezegde belastingverlaging van 5 procent maakt het toegezegde begrotingsevenwicht voor het jaar 2006 tot een farce. Afspraken over liberalisering van de energiemarkt of privatisering van industriesectoren schuift Frankrijk meer dan welk ander land voor zich uit. Het Franse landbouwprotectionisme heeft de Europese landbouwpolitiek al jaren geleden tot een genante vertoning gedegradeerd – niet uit te leggen in de internationale handelsorganisaties, niet uit te leggen in de Derde Wereld en niet uit te leggen aan de eigen burgers in Europa.

Natuurlijk houden Franse politici niet alleen uit plat nationaal geldbelang hervormingen tegen. De Franse democratie met een Parijse meritocratische élite is nu eenmaal zo gestructureerd dat het buitengewoon lastig en riskant voor haar is om belangengroeperingen te bewerken en te masseren, of op z'n polderlands uitgedrukt `de dialoog aan te gaan'. De afstand is groot, de rol van de Assemblée als intermediair gering en een Franse regering is met behulp van stakingen, wegblokkades en andersoortige krachtmetingen uitgeregeerd voordat er een kiezer aan te pas is gekomen.

Daarmee lijkt Europees leiderschap verder weg dan ooit. Geen enkel groot land in Europa etaleert bijvoorbeeld verantwoordelijkheidsgevoel voor een stabiele euro. Daarbij gaat het niet eens zozeer om het feit dat begrotingsevenwicht in de euro-landen onlangs vooruit is geschoven van 2004 naar 2006 – daarvoor valt misschien uit economische overwegingen wel wat te zeggen – als wel dat de meeste regeringsleiders zo demonstratief aangeven wel iets anders aan hun hoofd te hebben dan de zorg voor de euro, d.w.z. voor het geheel.

Het ontbreken van Europese regie versterkt gevoelens van machteloosheid en frustratie jegens de Verenigde Staten, soms gemaskeerd door meer of minder hoogdravend moralisme inzake zulke uitéénlopende zaken als Kyoto, het Strafhof, armoede in Amerika, de doodstraf en het vrije wapenbezit aldaar.

Zulke gevoelens zijn inmiddels wederzijds en net als in het geval-Schröder is het opmerkelijk hoe onverbloemd en ongebleekt er omgekeerd vanuit de Verenigde Staten van leer wordt getrokken tegen de inwoners van het vermoeide oude continent. In de woorden van de gezaghebbende liberal Joe Klein: De Europese Unie ,,dat zijn 15 kleine, inteelt-samenlevingen met alle bijbehorende genetische ellende – xenofobie, lethargie, woest harmonica-spel – die uit inteelt voortkomt, met het risico van irrelevantie in een wereld van grote getallen.''

Irak vormt het kristallisatiepunt van alle stuurloosheid. Volkenrechtelijk is het Amerikaanse voornemen dubieus. Bovendien zijn er gepaste zorgen over een post-Saddam-tijdperk, want de dictator verslaan kan Amerika gemakkelijk in haar eentje, maar het vormgeven van vrede kan nooit zonder bondgenoten. Anderzijds: als de Verenigde Naties zich hadden weten te ontwikkelen tot een gezaghebbender instituut, was er voor het type schurkenstaat als Irak vermoedelijk allang geen plaats meer geweest. Bij ontstentenis van een slagvaardige Veiligheidsraad valt voor Europeanen moeilijk te ontkennen, zeker na de recente ervaringen in Kosovo, dat gegeven de eigen machteloosheid de Amerikaanse militaire superioriteit in de wereld eerder een geruststellend dan een riskant feit is. Tegelijkertijd is het hoogst vervelend en jaagt het de Europese vox populi in de gordijnen, want de regering-Bush doet anders dan haar voorganger weinig moeite meer om de transatlantische vrede te bewaren.

Wat betekent dit alles voor een klein land als Nederland?

Het betekent in elk geval een herijking van de coördinaten, waarop tot nu toe is gevaren – al is dat op deze abstracte manier gemakkelijker gezegd dan in concreto gedaan. Voor de korte termijn leidt het aan het eind van de dag, hoe ergerlijk misschien ook, tot weinig anders dan in de opdeling van de wereld tussen `us' en `them' dan maar de kant van `us' te kiezen. Vooroorlogse dagdromen over een ideaal genaamd Zwitserland bieden geen soelaas. De constatering dat `Europa niet bestaat' is een luxe die commentatoren zich kunnen veroorloven, maar is voor beleidsmakers te weinig.

Dit Nederlandse ongemak is in het grotere geheel uiteraard slechts een detail (al is het voor de zuiverheid van discussies goed om er bij stil te staan). Zorgelijker is het bredere beeld: er zijn politieke crises, regie is zoek, sociaal-economische stabiliteit is in het geding en de Verenigde Staten gaan hun gang.

Ben Knapen is lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, portefeuille Europese integratie.

    • Ben Knapen