Nogmaals Rupsje

E nige tijd geleden schreef ik over de cultuur van Rupsje Nooitgenoeg op alle niveaus van het onderwijs. Die column gaf aanleiding tot misverstanden. Zo meenden sommigen dat ik docenten verweet dat ze zich niet genoeg in zouden spannen. Daar ging het niet over. Waarover dan wel?

Een voorbeeld. Ooit werkte ik op een afdeling van een universiteit waar het verzorgen van een werkcollege van 2 uur per week werd gehonoreerd met wekelijks 10 uur voorbereidingstijd. Wat ik buitengewoon luxe vond. Toch werd er geklaagd. Wat ik niet begreep en ook niet fatsoenlijk vond. Want vrijwel overal in het onderwijs waren de werkcondities minder fraai dan daar. Hetzelfde altijd-maar-klagen-patroon zien we ook op bestuurlijk niveau, en in het uitzonderlijke geval dat een universiteit daar niet aan mee doet, wordt dat gezien als verraad. Als gevolg van die klaagcultuur is het onmogelijk tot een redelijke verdeling van gelden te komen: zowel voor het ministerie als op het niveau van de instellingen zelf.

Met hun permanente klagen wekken universiteiten en hogescholen de indruk tekort te worden gedaan. Misschien is dat ook wel zo, maar misschien ook niet. Dat is voor buitenstaanders onmogelijk te beoordelen, want instellingen streven allemaal, ongeacht hun behoeften, naar een zo groot mogelijk deel van de koek.

Dat is niet het geval, wordt me verzekerd, als we voldoende kregen, zou er niet worden geklaagd. Dit nu weiger ik te geloven. Zo herinner ik me dat, toen bepaalde studierichtingen werden opgeheven, de universiteiten de betreffende medewerkers een riante, tot het pensioen toe gegarandeerde, wachtgeldregeling mochten aanbieden. Maar omdat het rijk (toen nog) die regelingen betaalde, en de universiteiten wel meer mensen kwijt wilden, of, andersom, meer mensen de universiteit , werden allerlei medewerkers voor wie die regeling niet bedoeld was, er toch in ondergebracht. Sterker nog, soms werden die ontslagen medewerkers voor een habbekrats weer in dienst genomen. Die medewerkers konden freewheelen, en de werkgever betaalde alleen een aanvulling op het wachtgeld. Beide partijen tevreden, want ze werden er alle twee beter op. Als je zo misbruik maakt van gemeenschapsgeld, wat moet ik dan aan met de klacht dat de middelen ontoereikend zijn en met de verzekering dat men zo fatsoenlijk is niet meer te vragen dan strikt nodig?

Maar dit alles neemt niet weg dat er afdelingen zijn op hbo-instellingen of in het middelbaar beroepsonderwijs die duidelijk geld tekort komen. Die onomstotelijk kunnen aantonen dat het onmogelijk is hun taak naar behoren te vervullen. We worden gefinancierd, zo werd mij onlangs verteld door de medewerkers van een lerarenopleiding, voor voltijds en deeltijdstudenten, maar niemand is hier voltijds. We hebben hier studenten met een kwart, een halve, driekwart of een hele baan. Bovendien verschillen ze ook nog eens allemaal in vooropleiding. Elke student vergt dus een op zijn situatie afgestemd programma. Maar als wij als afdeling zouden zeggen dat dit niet kan, dan is de reactie van het College van Bestuur, dat ze zich dan gedwongen zal zien de opleiding op te heffen, want iedere afdeling moet in principe selfsupporting zijn. We hebben de keuze tussen of onze baan kwijtraken,of doorgaan in een onmogelijke werksituatie. Dus kiezen we dat laatste.

Maar ja, wie zijn schuld is dit? Die van Zoetermeer die de hogescholen onvoldoende geld geeft om dit soort knelpunten op te lossen of die van de hogescholen die, omdat ze het te ingewikkeld vinden de gelden naar redelijkheid te verdelen, bepaalde afdelingen evident tekort doen?

prick@nrc.nl

    • Leo Prick