Niet moraliseren maar aan de slag

In het debat over normen en waarden voeren moraliseren en zelfbeklag ten onrechte de boventoon. In plaats daarvan moet worden gestreefd naar betere pedagogische voorzieningen en een samenhangend onderwijs- en jeugdbeleid, meent Ton Notten. Vierde deel van een serie reacties op eerdere artikelen van Paul Scheffer, Paul de Beer en Jola Jakson en Dorien Pessers.

Temidden van het gedaver over waarden en normen raadplegen we W.F. Hermans. In 1951 schreef hij in zijn boek Ik heb altijd gelijk: ,,Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen. Of voor mensen die teveel materiële waarden bezitten en te lui zijn er verder moeite voor te doen! Dat zijn geestelijke waarden.'' Het vermaan over waarden en normen als een compensatie voor bangeriken of een speeltje van Bentley-rijders.

Jola Jakson en Paul de Beer vrezen terecht dat in het waarden-en normendebat bij alle opgelegde gemeenschapszin het individualisme het aflegt: ,,Individualisme is niet een doorgeschoten gril uit de jaren zestig en zeventig, maar vormt het fundament van de westerse samenleving'' (NRC Handelsblad, 28 september). Dorien Pessers denkt daar anders over: ,,De tirannie van het persoonlijke ondermijnt het publieke belang en holt de democratie uit'', schreef zij op 5 oktober in deze krant.

Doorgeschoten of niet, het individualisme is de centrale waarde van de liberale economie. De protestantse ethiek van het kapitalisme – `vermeerder uw goederen op aarde', `investeer', `armoede is eigen schuld' – is het kijkgaatje in de predestinatieleer: succes op aarde voorafschaduwt de goede afloop nà dit leven. Deze op Calvijn geënte waardeoriëntatie is niet kwezelig, net zomin als de economie die ze dient: competitie, efficiency, sociale uitsluiting, consumentisme, verpatsing van de openbare ruimte. Niemand kan de economisering van het leven ontgaan, het privé-leven incluis.

Door schuldgevoel en eigenbelang verdrinkt in Nederland het waardendebat in zompige ouderwetsheid en luie praatjes, en leidt het niet tot nuchtere conclusies.

De verbintenis van kapitalisme en calvinisme – van `no nonsense' tot `werk (3x)' gedurende de jaren 1982-2002 – knarst, en de reactie de aanhangers van deze verbintenis is er één van zelfonderzoek en -verwijt, schuldgevoel en zelfbeklag. De blijde rijders, de tweede groep, informeren slechts naar de extra bijdrage die de overheid uit collectieve middelen kan leveren aan de veiligheid die ze voor zichzelf in hun gated communities al aardig realiseerden.

Alleen al het oproepen tot deugdzaamheid is deugdzaam. Het communitarisme schiet deze gelegenheidsalliantie te hulp. Het kwam tien jaar geleden op in de VS, waar voormalige aanhangers van de Spirit of free enterprise als Bell, Coser en Etzioni het Licht zagen. Zij maten the evil of selfdetermination breed uit en verklaarden individual rights tegengesteld aan community responsibilities.

In de communitaristische golf moeten jongeren en ouders het ontgelden. De eersten omdat zij de folk devils zijn die voor moral panics zorgen (Stanley Cohen), en de opvoeders opdat zij de jeugd weer mores leren. Dat wordt lastig. Richard Sennett noteerde in 1999 dat een corrosion of character van de ouders-opvoeders het gevolg is van de twee-inkomens-per-gezin-noodzaak. De bevindingen van zijn onderzoek naar de sociaal-psychische en opvoedingsgevolgen van de banenmachine van Bill Clinton gaan in grote lijnen op voor het Nederlandse oververhitte kapitalisme. Een deel van de jeugd is de dupe. Vijftien procent van de jongeren heeft en/of veroorzaakt problemen, meende de toenmalige minister van WVC, Hedy d'Ancona in 1993. Acht jaar later koppelden de meeste lijsttrekkers `jeugd' aan `criminaliteit'. Anno 2002 is dat niet anders. Recent beloofde CDA-minister van Justitie Donner een vastberaden aanpak van de jeugdcriminaliteit, door zijn departement en vier andere: VWS, OC&W, Sociale Zaken en Binnenlandse Zaken.

Dan die jeugd zelf. Is het gek, die heftigheid van veel jongeren, dat uit-je-dak-gaan, je zin opeisen en-wel-nu-meteen, de Leidsestraat die er uitziet als een mayonaise- en kotsallee? Getuigt hun gedrag niet van hetzelfde soort economisch individualisme, overlevingsdrift en de opgevoerde spanning tussen distinctiebehoefte en imitatiedrang waaraan de middengeneratie onderworpen is?

Ook de uitingsvormen van het individualisme van jongeren zijn klasse-bepaald. Op school, in de sport, de media en de reclame worden messcherpe ellebogen en luidruchtig op succes anticiperende socialisatie van kansrijke jongeren toegejuicht. Individualistische jongeren met weinig sociaal, economisch en cultureel kapitaal missen daarentegen adequate distinctie- en imitatievermogens waarover bevoorrechte leeftijdgenoten wel beschikken. Dat is een tekort dat soms desastreus uitpakt.

Moraliseren, zelfbeklag en sweeping statements baten niet. Jongeren blameren, of het allo- of autochtonen zijn, evenmin. Nodig zijn betere pedagogische voorzieningen. `De stad als opvoeder' moet zich teweerstellen tegen de stad als uitbatend, onherbergzaam en agressie opwekkend oord. De `vermarkting' van de publieke ruimte moet worden afgeremd. Er zijn gigantische investeringen en hersteloperaties nodig na twintig jaar waarin amper onderhoud werd verricht, een samenhangend onderwijs- en jeugdbeleid werd verwaarloosd en een verkruimeld en amper geëvalueerd projectjesbeleid aan de orde van de dag was.

Prof. dr. Ton Notten doceert onder meer over interculturele problemen aan de Vrije Universiteit Brussel en is lector `Opgroeien in de Stad' aan de Hogeschool Rotterdam.

    • Ton Notten