Klatergoud en bordkarton

Borrels, recepties, mega- party's – vrijwel geen dag wordt afgesloten zonder dat er een feestje omheen wordt gebouwd. Nederland Partyland? Analyse van een gecom- pliceerd verschijnsel.

Als Nederland een natie is waar bar weinig tradities in ere worden gehouden, zoals zo vaak zorgelijk beweerd wordt, waarom wordt er dan zoveel gevierd? Als ons land iets heeft, lijkt het, is het een feestcultuur. Niets gaat er ongemerkt voorbij. Vrijwel geen dag wordt afgesloten zonder dat er een feestje omheen wordt gebouwd. Verjaardagen, natuurlijk, maar ook tientallen soorten jubilea, zoveel jaar dit, zoveel jaar dat, het begin van iets, het einde van iets, of domweg het bestaan van iets, het behalen van iets, het afsluiten van iets, de start, de eindstreep, de overwinning of, ach waarom ook niet, de nederlaag, de aanschaf of de verkoop, de verbintenis of het afscheid. Dat moet gevierd worden! Wat wordt het, een borrel, een receptie of een megaparty? Oude feesten worden in ere hersteld, al of niet met bedrijfssponsoring, nieuwe feesten schieten als paddestoelen uit de grond. Altijd is er wel een gelegenheid om enveloppen voor dicht te likken, altijd doet zich wel een aanleiding voor om een fles open te trekken en je feestelijk aan te kleden of te verkleden en een zaaltje af te huren. Of een schouwburg. Of een fabriekshal. Of een stadion.

Dat het in Nederland altijd wel ergens feest is, wordt vrijwel altijd gezien als iets verderfelijks. Nederland Partyland: voor moralisten roepen die woorden het schrikbeeld op van een egocentrische cultuur die zichzelf in stand houdt met veel opgefokt gebral, lallende jongeren, halfblote homo's op sierboten, kinky meesteressen met gepiercete schaamlippen, een dreunende bas, een vloedgolf van schraal bier, sigarettenpeuken, plastic bekers en gebruikte condooms. Wat gevierd wordt, zeggen de moralisten, is niets anders dan de verveling zelf, de ultieme wezenloosheid, in stand gehouden door drugs en alcohol, voortgestuwd door een vette beat. Krampachtigheid is het trefwoord. Een feestcultuur is geen cultuur.

Klopt dat beeld? Zoals meestal: steeds minder naarmate je het van dichterbij bekijkt. De fotograaf Morad Bouchakour reisde heel Nederland af om feesten te fotograferen en het eerste wat je aan zijn feestfoto's opvalt, is die ontzagwekkende verscheidenheid aan vieringen. Er blijken onvoorstelbaar veel situaties te zijn waarin het glas, of het plastic bekertje, geheven kan worden, talloze redenen voor verkleedpartijen – en door alle denkbare soorten mensen, van piepjonge kinderen tot stokoude bejaarden, van uit de klei getrokken kaaskoppen tot kersverse Nederlanders. Tegenover ieder nieuw verzonnen of geïmporteerd feest staat wel een feest dat voor vijftigste of honderdste of duizendste keer gevierd wordt. Tegenover ieder traditioneel Hollands feest staat wel een viering die vijftig jaar geleden in Nederland ondenkbaar had geleken. De verraste glimlach, de triomfantelijke overhandiging, de feestelijke samenzang, het blijken de constanten tegen steeds wisselende achtergronden, die meestal hemelsbreed van elkaar verschillen.

Want dat is wat eveneens in het oog springt: de meeste feesten die Bouchakour heeft vastgelegd, zijn hopeloos verzuild. Iedere viering is vrijwel exclusief verbonden met een sociale groep. Stel je de mensen die Bouchakour heeft geportretteerd voor op de andere feesten: meteen wordt duidelijk hoe belangrijk uiterlijkheden op feesten zijn, hoe rigide de ongeschreven sociale regels van het Hollandse feest. Ondenkbaar dat de corpsbal op de kinky party opduikt, onvoorstelbaar dat de Chinese draak die het Nieuwe Jaar inwijdt, onaangekondigd verschijnt op het Limburgse carnaval. Alleen kinderen weten moeiteloos die sociale grenzen te overschrijden. Een Surinaamse of Ghanese kleuter zit er niet mee om in de verfoeide rol van zwartepiet te stappen; voor sinterklaas heeft hij evenveel ontzag als een Nederlands kind.

Het feest is in de eerste plaats een sociaal gebeuren. Uiterlijkheden zijn bepalend; geen feest zonder kostuum. Door zijn kleding of gedrag laat de feestganger zien dat hij bij een bepaalde groep hoort. Hij treedt even buiten zichzelf, maar zorgt ervoor dat hij onmiddellijk herkenbaar is. Het vieren van het erbij horen, dat is misschien wel de belangrijkste drijfveer van ieder feest. Iedereen voelt zich nu eenmaal in laatste instantie een buitenstaander, dat is de mens eigen. Zelf voel je je uiteindelijk alleen staan; het zijn altijd de anderen die een groep vormen. Die onmogelijke paradox – als iedereen zich buitenstaander voelt, waar is dan de groep? – kan worden opgeheven door het feest. Op het feest laat een groep zichzelf naar buiten toe scherp afgetekend zien en tegelijkertijd hoort iedereen binnen de groep erbij. Dat is het feestgevoel dat iedereen kent: aan de ene kant de sociale trots van helemaal op je plaats te zijn, en tegelijkertijd die lekkere roes, de gewaarwording dat je opgaat in een groter geheel. Een geslaagd feest geeft je zowel het gevoel van verhevigde aanwezigheid als de gewaarwording tijdelijk aan jezelf ontsnapt te zijn.

Dat Hollandse feestgevoel is dus een nogal gecompliceerd gevoel: ergens bijhoren door jezelf te verliezen. Of het nu een verjaardag in huiselijke kring is, of een massaal dansfeest op een industrieterrein, feesten blijft een riskante bezigheid. Iedereen weet wat er mis kan gaan. Een verkeerd woord, een valse noot, een ongenode gast, een glas te veel, een haperend knaleffect; de illusie kan gemakkelijk verstoord worden. Ogenblikkelijk wordt het feest ontmaskerd. De stemming is bedorven, de tijdelijke gemeenschap van feestgangers blijkt hopeloos versplinterd, niemand hoort er meer bij. Dat is precies wat de meeste feestvierders tijdens het feest proberen te vermijden, en krampachtigheid is het gevolg. Wie iets gaat vieren offert zijn persoonlijke gevoelens op aan een groter, algemeen gevoel van vreugde. Maar sommige persoonlijke gevoelens laten zich niet zomaar onderdrukken, en bij de minste aanleiding steken ze de kop op. Nergens ontstaat zo gemakkelijk ruzie als op een feest.

Geen wonder dat het Deense speelfilm Festen zo'n bioscoophit was. In dat melodrama wordt genadeloos afgerekend met het feest der feesten: het familiefeest. Hoewel iedereen ongelofelijk zijn best doet, blijkt er uiteindelijk maar heel weinig te vieren. En zo is het in de meeste families. Op familiefeesten wordt meestal meer bezworen dan gevierd.

Feesten blijft een riskante bezigheid. Dat je jezelf even mag verliezen, betekent allesbehalve dat je ook jezelf kunt zijn. Aandoenlijk is de sluimerende onzekerheid in de ogen van sommige van Bouchakours feestgangers, de verbetenheid waarmee ze zich als het ware aan hun feest vastklampen. De wanhoop ligt voortdurend op de loer. Het zal en moet een geslaagd feest worden. Met de moed der wanhoop storten ze zich in het gedruis. Van alle feestvierders zullen zij het luidst, het grappigst, het geilst, het idiootst aangekleed, het dronkenst zijn. Op het ideale feest overstijg je jezelf. Op de meeste feesten overschreeuw je jezelf.

Het is de kracht van Bouchakours foto's dat hij door de uniforme muur van het feestgedruis weet heen te breken: de mensen die hij vastgelegd heeft, zijn allemaal individuen die zich aan het feest overgeven, of dat met veel verbeten inzet proberen. Kijken naar feesten van anderen is eigenlijk altijd ontnuchterend, en vaak afstotelijk. Het is ook niet helemaal eerlijk: jij bent de niet-feestende buitenstaander, die zich niet heeft overgegeven aan de roes, zoiets als de ouders die onverwachts thuiskomen en het licht aandoen, terwijl de kinderen zich op hun garagefeest onvoorwaardelijk hebben overgegeven aan de illusie van de roes. Van buitenaf zien de meeste feesten er depressiefmakend schraal uit. Hun illusie is de jouwe niet. Waar klatergoud gesuggereerd wordt, zie jij bordkarton. Waar de feestgangers zich in een hemelse roes ondergedompeld wanen, observeer jij een lallende massa.

Die wanhopige schraalheid vind je ook wel terug op de feestfoto's van Bouchakour. Achter de als vrolijke konijnen verklede feestgangers rijzen de grauwe betonnen winkelpuien op. Op de rood aangelopen gezichten van sommige carnavalsvierders zijn de teleurstellingen van een heel leven af te lezen. Op het Boekenbal tonen uitgeteerde schrijvers zich uitgelaten op een feest wat zichtbaar maar geen feest wil worden. Het echtpaar dat zich opmaakt om op een kinky party wat seksuele grenzen te verleggen, staat zich 's avonds ergens op een naargeestig industrieterrein bij de achterbak van hun auto in het te strakke rubber te hijsen.

Je ziet het allemaal, maar het roept eerder herkenning op dan afschuw. Bouchakour is dan wel de observerende buitenstaander, maar zijn oog is allesbehalve klinisch of genadeloos. Hij is onmiskenbaar ironisch, maar niet cynisch. In die zin is hij een echte Hollandse realist. Bouchakour laat alles zien, geen pijnlijk detail ontgaat hem; de grauwe werkelijkheid laat zich niet ontkennen. Maar zijn blik is niet zonder mededogen. Nergens wordt het werkelijk tragisch. Wat zijn foto's van Hollandse feesten met elkaar verbindt, is datzelfde streven naar de illusie van het feest.

Vaak genoeg is dat streven hopeloos tot mislukken gedoemd en eindigt het met tranen en rode ogen en doorgelopen mascara en kotsen in de wc-pot, maar dat doet er niet toe. Het verlangen naar de illusie laat Bouchakour in zijn waarde, en terecht. Waarom vieren Nederlanders feest? Om erbij te horen, om aan zichzelf te ontsnappen, om het bestaan te vieren, om het bestaan niet onder ogen te hoeven zien. Het is het feest dat ruimte biedt aan al die tegenstrijdige verlangens, het feest waarop zelfbewustzijn en onbewustzijn hopeloos met elkaar verstrengeld zijn. Misschien vieren Nederlanders zo vaak feest juist omdat er in werkelijkheid zo weinig te vieren valt. Maar de illusie van het feest, het feest dat alles goed zal maken, is onuitroeibaar.

Na afloop van ieder feest, wanneer de bergen afval geruimd worden, wanneer het pakpapier gladgestreken is voor verder gebruik en de gedichten zijn opgeborgen om nooit meer ingezien te worden, wanneer de kater langzaam optrekt en de rook door het open raam verdwijnt, wanneer er met vreemden ontbeten wordt en de foto's worden rondgestuurd en de vage herinneringen aan euforie of pijnlijke toestanden tegen het ochtendlicht worden gehouden, dringt het verlangen zich alweer op.

Het wordt tijd voor een feest.

    • Bas Heijne